Irak-debat Tweede Kamer 4 april 2007

Handelingen 2006-2007, nr. 57, Tweede Kamer, pag. 3212-3230 en pag. 3231-3263



Aan de orde is het debat over het kabinetsstandpunt

inzake Irak.

De voorzitter: Ik heet de bewindslieden van harte

welkom en geef als eerste het woord aan de heer

Pechtold van D66. De spreektijd is 10 minuten per fractie.


De heer Pechtold (D66): Voorzitter. Ik dank de bewindslieden

voor hun komst naar de Kamer, want opnieuw

doet de Kamer een poging om de deksel van de doofpot

Irak op te lichten. Ik kan u verzekeren dat wij hier over

een poosje weer staan, zolang zorgvuldig parlementair

onderzoek uitblijft.

Wij zullen wederom reageren op uitgelekte memo’s en

klokkenluiders waardoor de gang van zaken steeds

pijnlijker en verdachter wordt. Bush en Blair hadden hun

redenen om Irak binnen te vallen en daar is in beide

landen onderzoek naar gedaan. Het is deze regeringen te

prijzen dat zij daaraan hebben meegewerkt. Zo doet men

dat in een democratie, maar blijkbaar niet in de onze. Die

loopt onder leiding van de premier met dank aan de

PvdA een forse deuk op, een deuk in de relatie tussen de

grondwettelijke verhouding tussen parlement en

regering, een deuk in ons internationaal aanzien en ons

gezag binnen Europa, een deuk in het draagvlak en het

vertrouwen van de bevolking in regering en politiek. Dit

wordt geen debat op hoofdlijnen, wel over details, hele

en halve waarheden, suggesties en vermoedens. De

Kamer tast in het duister totdat de regering het licht aan

doet.

Op 19 augustus 2002 krijgt de minister van Buitenlandse

Zaken De Hoop Scheffer een memo met daarin de

verkenning van de juridische basis voor een oorlog. Deze

memo spreekt zelfs over een reële dreiging. Op diezelfde

dag beantwoordt diezelfde minister Kamervragen en

merkt daarin op dat een oorlog hypothetisch is. Hoe kan

dat? Wanneer wilden de Verenigde Staten weten of

Nederland de oorlog militair zou steunen? Volgens de

toenmalige fractievoorzitter van het CDA Verhagen was

dit totaal niet aan de orde gezien zijn opmerkingen in

maart 2003 in het debat over de steun aan de oorlog in

Irak. Ik citeer: ’’Militaire verzoeken zullen wij op hun

eigen merites beoordelen en ik heb gesteld dat deze op

dit moment niet aan de orde zijn, omdat ons doodsimpel

niets is gevraagd.’’ Even later vervolgt hij: ’’Ook minister

Kamp heeft aangegeven dat militaire steun überhaupt

niet aan de orde is, aangezien niemand ons een vraag

heeft gesteld.’’ Als Verhagen vertrouwelijke informatie

heeft gekregen in het voorjaar van 2003 waarover hij niet

kon spreken, zou hij in een Kamerdebat toch niet het

absolute tegendeel daarvan beweren? Is dat zo, zo vraag

ik de minister?

Wij weten inmiddels echter dat er een zeer omvangrijk

verzoek om militaire steun lag, en detail: precisiewapens,

een gemechaniseerd bataljon, mijnenvegers. Deze

werden toch niet zonder personeel gevraagd? Een

bondgenoot vraagt niet om zaken waarvan niet van te

voren gecontroleerd is of er een bereidheid is om ze ook

te geven. Zeker de Amerikanen willen geen blauwtje

lopen. Mijn vraag is dus: waarom dachten de Amerikanen

dat het wel goed zat?

De legitimatie van de oorlog moet in 2002 en 2003 nog

liggen in de massavernietigingswapens. In de memo van

Eurlings

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3212

19 augustus 2002 schrijven ambtenaren aan de minister

van Buitenlandse Zaken: ’’Militaire actie, gericht op

regime change, ligt volkenrechtelijk veel moeilijker. Het

verdient dan ook aanbeveling dat Nederland uit blijft

gaan van de noodzaak van de ontmanteling van de

Irakese massavernietigingswapens.’’ Het lijdt weinig

twijfel dat Irak beschikt over massavernietigingswapens,

zo zei De Hoop Scheffer in 2002. Tijdens het Irak-debat in

maart 2003 zegt de premier: ’’De essentie is echter de

ontwapening van een agressor die massavernietigingswapens

in zijn bezit heeft.’’ Maar dat verandert. Bij de

regeringsverklaring afgelopen maart zei de premier:

’’Altijd is de positie geweest: de bewijslast ligt bij

Saddam Hoessein in het kader van het niet opvolgen van

de VN-resoluties.’’ Waarom die omslag? Welke redenering

moet ik nu volgen?

Het verhaal van de massavernietigingswapens brokkelt

af. De Nederlandse MIVD, blijkt nu, plaatste grote

vraagtekens bij de claim van de VS dat Irak een grote

bedreiging was. De MIVD had twijfels over de drie

kwartier die Saddam nodig zou hebben om tot een

aanval over te gaan. En ook Luxemburg tijdens een

bijeenkomst in Rome, de Nederlandse minister van

Defensie Korthals na een briefing in Polen, de Nederlandse

NAVO-ambassadeur, de VN-wapeninspecteur en

inlichtingenliaison Scott Ritter, Jan Rozing in zijn

onderzoek naar biologische wapens. Zij plaatsten en

plaatsen allemaal kanttekeningen. De regering heeft de

Kamer het brede perspectief onthouden op de claim van

Amerika dat er een directe dreiging van massavernietigingswapens

bestond. Kunnen de bewindslieden

hierop ingaan?

Ook het verhaal van de resoluties brokkelt af. Er is

maar een orgaan gemachtigd om te beoordelen dat een

VN-resolutie is overtreden en dat is de opsteller van de

resolutie, de VN Veiligheidsraad.

De heer Van Dam (PvdA): Dit zijn heel veel bekende

vragen. Dit geldt ook voor de vraag over de opstelling

van de MIVD. Die vragen zijn hier in de afgelopen jaren

veelvuldig gesteld. De heer Pechtold was toen minister.

Ik neem aan dat hij die vragen destijds ook aan zijn

collega’s heeft gesteld. Is dat zo?

De heer Pechtold (D66): Voor zover ik daarover mag

spreken, nee.

De heer Van Dam (PvdA): Als de heer Pechtold hier zo

zwaar aan tilt, waarom heeft hij die vragen dan niet

gesteld toen hij veel dichter bij het vuur zat en al die

vragen direct aan zijn collega’s kon stellen, ook nog eens

in de ministerraad waar hierover openlijk had kunnen

worden gesproken?

De heer Pechtold (D66): Zoals de heer Van Dam weet,

hebben mijn en zijn fractie in die tijd heel veel vragen

gesteld. Ik wil een wedervraag aan hem stellen: heeft hij

de antwoorden?

De heer Van Dam (PvdA): Dit is een handig trucje om

onder mijn vraag uit te komen, maar ik trap er niet in. De

heer Pechtold zat destijds in het kabinet, een kabinet dat

steeds zei: wij zullen de vragen van de Kamer niet

beantwoorden. Hij heeft die lijn steeds gesteund en

geaccepteerd en hij heeft kennelijk nog niet eens aan zijn

collega-ministers gevraagd wat er waar was van alle

berichtgeving in de kranten en hoe het precies verlopen

was. Nu trekt hij wel een grote broek aan. Dat siert hem

niet.

De heer Pechtold (D66): Ik kan ook antwoorden met de

constatering: handig trucje. Ik vraag op dit moment niet

naar een antwoord op de vragen die in het verleden al

zijn beantwoord. Ik vraag naar informatie die in de

afgelopen weken naar voren is gekomen. De wetenschap

over de oorlog in Irak is een glijdende schaal vanaf het

moment dat wij de inzet steunden tot op de dag van

vandaag. Tot op de dag van vandaag – en dat is ver na

mijn aftreden uit het kabinet – komen er steeds pijnlijker

zaken naar boven – met name voor de Partij van de

Arbeid – waarop ik een antwoord wil. Het verschil tussen

de heer Van Dam en mij is dat hij dit antwoord niet wil

hebben.

De heer Van Dam (PvdA): Nog een keer. De informatie

over de opstelling van de MIVD was niet nieuw. Die is al

bekend sinds er in 2004 in NRC Handelsblad over werd

geschreven. Het kabinet heeft toen steeds gezegd dat het

de vragen van de Kamer daarover niet wenste te

beantwoorden. Het kabinet wilde ook geen onderzoek en

hield vast aan de positie die het in 2002-2003 had

ingenomen. De heer Pechtold zat toen in het kabinet en

steunde consequent die hele lijn van het kabinet en dus

ook de opstelling van het kabinet ten aanzien van de

oorlog in Irak.

De heer Pechtold (D66): Zeker, ik steunde de lijn toen

bekend was wat bekend was. Was de heer Van Dam

bekend met de twijfels toen minister Korthals van

Defensie terugkwam uit Polen? Was de heer Van Dam

bekend met de lunch in Rome waar Luxemburg andere

landen uitnodigde om te laten zien dat er meer twijfels

waren? Nee, dat was hij niet en ik was dat ook niet. Op

dit moment heb ik daar wel weet van en ik wil van deze

regering weten waarom en hij wil dat niet.

Ook de heer Hans Blix, de VN-wapeninspecteur, zei dat

het nog te vroeg was om te stellen dat Saddam niet

meewerkte. Last but not least noemde ook de heer Kofi

Annan de oorlog illegaal.

Nederland heeft dit allemaal geïnterpreteerd zoals het

hem goed leek. In een uitgelekte telex van de Nederlandse

VN-ambassadeur worden vier scenario’s

doorgenomen voor het geval een tweede resolutie het

niet haalt. Die vier scenario’s gaan allemaal uit van

dezelfde conclusie: Nederland steunt de oorlog, resolutie

of niet, de oorlog is legitiem. Mijn vraag is of er

überhaupt nog een scenario was waarin Nederland de

oorlog niet zou steunen.

Nederland maakte bij het steunen van de oorlog in

Irak de aantekening dat het niet om militaire steun ging.

De onderverdeling in politieke en militaire steun is bij

geen van onze bondgenoten een bekend concept. De

vraag is of het waar was. Op 22 maart 2003 stond de

Nederlandse luitenant-kolonel Blom prominent op het

podium met de Amerikaanse generaal Tommy Franks.

Wie had hem daarvoor uitgenodigd en waarom? De

regering doet dit later af als een inschattingsfout van

Nederlandse kant. Ik vraag de bewindslieden vandaag

waarom de Amerikanen aan de Nederlanders hebben

gevraagd om erbij te zijn.

De lijst met vragen is inmiddels langer. Klopt het dat in

oktober en november 2002 Nederlandse F-16’s hebben

Pechtold

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3213

deelgenomen aan de verkenningsvluchten boven Irak?

Klopt het dat een Nederlandse militair is gevraagd om

informatie over noodlandingen van F-16-piloten van zijn

website te halen? Letterlijk wordt in een Deens

inlichtingenrapport gesproken van ’’attached NL-forces’’

aan een Deense operatie in Irak. Hoe verklaart u dat? Een

Britse bron verklaart dat Nederlandse commando’s in

maart 2003 betrokken zijn geweest bij de opening van

het tweede front in het noorden van Irak. Kunt u hierop

reageren? Klopt het dat het Nederlandse fregat ’’Van

Nes’’ Amerikaanse marineschepen onderweg naar Irak in

de Perzische Golf escorteerde? En nog maar eens de

uitspraak van Van der Knaap, staande op een Walrus op

21 november 2002: hij zegt toch duidelijk dat het om Irak

gaat, tot twee keer toe! Waarom is deze operatie nu

opeens geheim, terwijl er toen journalisten aan boord

werden gevraagd? De regering stelt dat er geen

eenheden betrokken zijn, maar mijn vraag is, eenheid of

niet: zijn militairen, onder welke vlag dan ook, betrokken

geweest bij de voorbereidingen van de oorlog met Irak?

D66 vraagt hier en vandaag niet om gevoelige

intelligence met ons te delen. Wij vragen naar de echte

reden om de oorlog tegen Irak te steunen. Er moet een

parlementair onderzoek komen. Rond Irak heerst een

permanente crisissfeer. De regering wil hier toch niet elke

maand staan om te reageren op hele en halve waarheden?

Alleen al daarom moet er een parlementair

onderzoek komen. De heer Wijffels zei op deze plek dat

er naar zijn weten geen afspraken waren over het

blokkeren van een onderzoek, maar die blijken toch te

bestaan. Volgens Jan Pronk is dit een smet op het

kabinet; onbegrijpelijk volgens Van Agt; onbestaanbaar,

want beschadigend voor Defensie, volgens oudbevelhebber

Couzy.

Minister-president, in de Eerste Kamer begon u

gisteren te glijden. Stop deze vertoning, stop deze farce.

Geef Nederland het onderzoek dat nodig is om vooruit te

kijken. Toon uw leiderschap.

©

De heer Van Baalen (VVD): Voorzitter. Deze kwestie

draait om vertrouwen en vertrouwelijkheid. De vraag is

of mijn fractie vertrouwen heeft en vertrouwen had in

deze bewindslieden en hun voorgangers ten aanzien van

de afwegingen die zijn gemaakt ten behoeve van

politieke steun aan de Amerikaanse invasie in Irak. Die

vraag beantwoordt mijn fractie met een volmondig ’’ja’’.

En de Kamer is adequaat geïnformeerd, keer op keer. Het

is interessant om te zien dat de brief die nu aan de

Kamer is gestuurd, vanwege de eenheid van het

kabinetsbeleid mede is geschreven door de bewindslieden

van PvdA-huize. Ik ga er dan ook van uit dat de

PvdA de visie van het kabinet deelt dat de Kamer

adequaat is geïnformeerd.

Daarnaast gaat het om vertrouwelijkheid. In het

internationale verkeer wordt, zeker in kwesties van

oorlog en vrede, gesondeerd; er worden voorstellen

gedaan, formeel en informeel. Het gaat de VVD-fractie

erom wat de regering uiteindelijk doet, tot welke

conclusie zij komt. Dat was het verlenen van politieke

steun aan de Amerikaanse invasie in Irak op basis van

resolutie 1441 en voorgaande resoluties. Die zijn door

Saddam Hoessein gedurende twaalf jaar allemaal

geschonden. Als Saddam Hoessein de wapeninspecteurs

had toegelaten, hetgeen in deze laatste resolutie werd

gevraagd, waren de later ontstane onduidelijkheden

voorkomen, ook rond de zogenaamde ’’45-minutenkwestie’’

en andere zaken. Saddam Hoessein heeft dat

niet willen doen en de vraag is of je deze dictator, met

zijn reputatie, op zijn bruine ogen had moeten geloven.

Nee dus.

De VVD steunt nog steeds voluit de politieke lijn die is

gekozen. Nogmaals, de brief van het kabinet is duidelijk.

Wij gaan geen oppositie voeren om het oppositie voeren.

Wij gaan het het kabinet niet moeilijk maken omdat

zoiets aardig is voor onder andere fracties als die van de

SP. Wij laten dat rustig aan de SP over. De VVD houdt

het vertrouwen en steunt de rol van vertrouwelijkheid

van het kabinet.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Het valt mij op dat u

spreekt over vertrouwen, alsof u weet heeft van moties

van wantrouwen; dan zou ik daarvan ook graag op de

hoogte gebracht willen worden. Volgens mij is de

vertrouwenskwestie helemaal niet aan de orde in dit

debat.

In reactie op de informatie van Reporter, die u ook van

tevoren hebt ingezien, hebt u gezegd dat er een verzoek

is gedaan om mee te vechten; zo mag dat verzoek

worden gekwalificeerd. Vindt u dat nog steeds?

De heer Van Baalen (VVD): De memo die ik heb gezien

behelsde een aantal politieke verzoeken om steun. Verder

was er sprake van de inzet van militaire middelen. Ik heb

dat beschouwd als een sondering naar de eventuele

bereidheid van Nederland om een militaire bijdrage te

leveren. Dit doet niets af aan mijn conclusie met

betrekking tot vertrouwen. Dat aspect is wel degelijk aan

de orde: het gaat erom of wij er vertrouwen in hebben

dat de bewindslieden steeds goede afwegingen hebben

gemaakt, ook met betrekking tot de vraag in hoeverre de

Kamer kon worden geïnformeerd. Over buitenlandse

inlichtingen kun je de Kamer niet zomaar in het openbaar

informeren. Dat vertrouwen had de VVD-fractie en dat

hebben wij nog steeds.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): U geeft hiermee een

dramatische lading aan het debat, die het voor mij nog

helemaal niet heeft. Volgens mij heeft het kabinet altijd

het vertrouwen van de Kamer, totdat het tegendeel blijkt.

Er wordt gevraagd om een parlementaire enquête. Dat is

een vorm van waarheidsvinding. Veel later kunnen

daaraan natuurlijk politieke consequenties worden

verbonden, maar nu is dat helemaal niet aan de orde. De

vraag is, of de Kamer voldoende is geïnformeerd. In

reactie op de informatie van Reporter hebt u in de

uitzending gezegd dat het gaat om een verzoek om mee

te vechten. Vindt u dat u voldoende bent geïnformeerd

en was u niet verrast door de informatie? Op televisie

scheen u wel verrast, en dan is het toch wonderlijk als

daarvan in de Kamer niets meer over is.

De heer Van Baalen (VVD): In de uitzending, maar ook

in daarop volgende interviews, heb ik steeds gezegd dat

de regering afwegingen moet maken. Mijn fractie

beoordeelt wat de regering doet, namelijk het uitspreken

van politieke steun aan de Amerikaanse invasie. Mijn

fractie heeft dat gebillijkt en gesteund. Hoe je het ook

kwalificeert, de Nederlandse regering heeft niet besloten

tot het verlenen van enige vorm van militaire steun. Ik

vind het verstandig dat een dergelijk vertrouwelijk

Pechtold

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3214

verzoek niet in de openbaarheid komt. Dat hoeft ook niet,

omdat het niet iets betreft wat de Nederlandse regering

heeft gedaan.

De heer Pechtold (D66): Het valt mij op dat de heer Van

Baalen als eerste het woord vertrouwen in de mond

neemt. Ik vind dat hij daarmee een onnodig zware lading

aan het debat geeft. Ik ken de heer Van Baalen als

iemand die meer wil weten als er nog onduidelijkheid

bestaat. U geeft zelf aan dat het een verzoek om een

militaire bijdrage betrof, tot en met de inzet van special

forces. Denkt u werkelijk dat de Amerikanen om special

forces vragen wanneer zij niet eerst hebben gesondeerd

of daartoe bereidheid bestaat? Hoe ziet u in dat licht de

vragen met betrekking tot andere zaken, zoals de F-16’s,

de Van Nes en dergelijke? Was dat niet militair? Kortom,

smaakt dit niet naar meer? Waarom spreekt u vertrouwen

uit in een kabinet, terwijl er elke week weer vragen

liggen?

De heer Van Baalen (VVD): Het gaat om vertrouwen. Dat

heeft niets te maken met een extra lading. Het gaat erom

of wij van mening zijn dat het kabinet gedurende een

aantal jaren de Nederlandse veiligheidsbelangen

adequaat en juist heeft behartigd, met betrekking tot de

veiligheidspositie, de wijze van omgaan met inlichtingen

en de internationale situatie rond Irak. Dat vertrouwen

hadden wij en dat hebben wij, en dat spreken wij

duidelijk uit. Natuurlijk wordt er gesondeerd in hoeverre

Nederland bereid is militair iets te doen in Afrika, of het

nu om het Grotemerengebied gaat of om Darfur. Als de

Nederlandse regering zegt daartoe in principe bereid te

zijn, komt er een formeel verzoek, dat door middel van

een artikel 100-brief aan de Kamer wordt voorgelegd. Als

Nederland had besloten om in Irak een militaire bijdrage

te leveren, zelfs als dat was gebeurd ingevolge een

artikel 5-procedure van de NAVO, zou dat in deze Kamer

aan de orde zijn gekomen. Dat is echter niet gebeurd,

omdat die sondering niet positief is beantwoord.

Nederland heeft militair niet meegedaan en dan hoef je

dus ook niet elk blaadje papier zes keer om te draaien

om te weten dat het niet gebeurd is.

De heer Pechtold (D66): Sonderen is natuurlijk heel wat

anders. Natuurlijk zal er gesondeerd worden, maar deze

keer bestond de sondering uit een waslijst waar nog net

niet het aantal zwemvesten voor de boten nauwkeurig op

stond vermeld. Het was een lijst van ettelijke zaken

waarom gevraagd werd en waar duidelijk ook oorlogshandelingen

bij zaten. Het ging niet alleen om doorvlieggegevens

en dat soort zaken.

Vindt de heer Van Baalen de aanwezigheid van vier

Amerikanen op de Walrus niet getuigen van betrokkenheid

bij de voorbereiding op een oorlog in Irak? Zegt de

heer Van Baalen nu niet: ik zou namens de VVD-fractie

toch eens meer willen weten over die uitspraken, gezien

de nieuwe informatie over al die wensen die er op

hetzelfde moment lagen?

De heer Van Baalen (VVD): Het aardige is dat ook de

positie van die onderzeeër, die een bepaalde rol vervulde

in de operatie Enduring Freedom, aan de orde is

geweest. Ik herhaal dat ik niet al het berichtenverkeer

tussen die onderzeeër en Nederland hoef te zien, omdat

ik het vertrouwen heb dat dit door de minister van

Defensie en zijn collega’s goed wordt behandeld.

De heer Pechtold (D66): Enduring Freedom. De

staatssecretaris spreekt twee keer over Irak. Het gaat om

de Iraanse haven die in de gaten wordt gehouden en

vervolgens wordt er gesproken over voorbereidingen van

Amerika om naar Irak te gaan. Irakees en Irak, de

staatssecretaris zegt het twee keer. Doet de heer Van

Baalen dat af als een verspreking of zijn wij op dat

moment betrokken en zijn er Amerikanen op onze boot

aanwezig om te beluisteren wat er in Irak gebeurt?

De heer Van Baalen (VVD): Wij hebben heel veel

gesproken in deze Kamer, onder andere over deze

onderzeeër en over luitenant-kolonel Blom. Op alle

vragen daarover zijn steeds adequate antwoorden

gegeven. Wij hebben militair niet deelgenomen aan

’’Operation Iraqi Freedom’’ en daarmee is voor ons de

kous af. De discussie gaat over een politieke vorm van

steunverlening. Daar kunt u debatten over houden en dat

is ook gebeurd, maar het is een gesloten zaak.

De heer Pechtold (D66): Dat hoop ik voor u, maar niet

voor Nederland.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): De kwestie van dat

vertrouwen blijft toch door mijn hoofd spoken, daarom

wil ik u daar nog een vraag over stellen. Mag ik u zo

begrijpen dat u zegt dat een parlementair onderzoek of

een parlementaire enquête eigenlijk een verkapte motie

van wantrouwen is?

De heer Van Baalen (VVD): U zoekt in de hele kwestie

iets onder een steen en dan denkt u wat gevonden te

hebben, maar er zit gewoon aarde onder die steen. Met

andere woorden, het heeft niets met moties van

wantrouwen te maken. De vraag is of je erop vertrouwt

dat de belangen van Nederland adequaat door deze

bewindslieden en hun voorgangers zijn behartigd in de

kwestie rond Irak. Daar gaat het om. U probeert er meer

achter te zoeken. Als mijn fractie de indruk had gehad

dat wij op basis van foute informatie en een foute

argumentatie de regering hadden gesteund, dan hadden

wij ook om een onderzoek gevraagd. Dat is echter niet

het geval. Wij gaan niet bij wijze van bezigheidstherapie

een onderzoek houden, terwijl mijn fractie dat niet nodig

acht. U mag proberen een meerderheid aan uw kant te

krijgen, maar op dit moment zult u mijn fractie niet aan

uw kant vinden.

©

De heer Wilders (PVV): Voorzitter. Ik hoop dat u niet al te

teleurgesteld zult zijn als ik mijn tien minuten spreektijd

niet volmaak. Het is al erg genoeg dat wij dit debat

hebben. Ik hoop er in ieder geval toe bij te dragen dat

wij voor de avondpauze klaar zijn.

De aanval op Irak in 2003 was natuurlijk volkomen

terecht. Als de Nederlandse regering toen al fouten heeft

gemaakt, dan waren die vooral politiek van aard. Ik doel

op de naar mijn mening toch wat slappe keuze om de

Amerikaans-Britse actie tegen Irak alleen politiek te

steunen en niet militair. Wij weten het allemaal: dat was

een slap compromis, omdat er toen ook coalitieonderhandelingen

werden gevoerd tussen het CDA en de

PvdA. Ik heb dat al in 2003 bekritiseerd als woordvoerder

buitenland van de VVD-fractie en ik doe dat nu weer

Van Baalen

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3215

namens de PVV, die natuurlijk ook een veel betere partij

is.

Ik zei het al: de aanval op Irak in 2003 was terecht.

Saddam Hoessein lapte gedurende twaalf jaar talloze

VN-resoluties aan zijn laars en heeft de internationale

gemeenschap er nooit van kunnen en willen overtuigen

dat hij zijn pogingen tot het verkrijgen van massavernietigingswapens

had opgegeven. Ook op dat

moment waren wapeninstructeurs niet in staat om vast

te stellen dat Saddam Hoessein volledig aan zijn

ontwapeningsverplichtingen voldeed of bereid was,

daaraan te voldoen. Uit het zogenoemde clusterdocument,

een rapport van 6 maart 2003 van Unmovic,

dus van de inspecteurs zelf, bleek dat Irak op dat

moment op maar liefst 28 openstaande vragen over

ontwapening geen antwoord wilde geven. In resolutie

1441 van de Veiligheidsraad was er sprake van ’’serious

consequences’’. Wij weten allemaal dat er in twee

eerdere resoluties van het begin van de jaren negentig,

678 en 687, ook sprake was van ’’all necessary means’’,

hetgeen erop neerkomt dat in 2003 militair optreden

geoorloofd was. Je mag het bijna niet zeggen, maar ik

zeg het toch, want het is iets om trots op te zijn: het

verlenen van steun aan een belangrijke bondgenoot als

de VS was en is, wat mij betreft, nog steeds geen

schande, maar juist op zijn plaats. Wij moeten dus niet

vergeten dat de werkelijke reden van de Brits-

Amerikaanse aanval op Irak was dat Saddam Hoessein

de internationale rechtsorde eindeloos tartte en de

relevante VN-resoluties naast zich neerlegde. De

geloofwaardigheid van de internationale gemeenschap

stond op het spel. In 2003 was de maat vol en was

ingrijpen gelegitimeerd.

Mijn fractie ziet geen enkele aanleiding om te twijfelen

aan de kabinetsmededelingen over de aanloop naar de

oorlog tegen Irak. In het verleden heeft het kabinet de

Kamer verzekerd dat Nederland geen actieve militaire

steun leverde aan de aanval op Irak. Vorige week en in

de brief van afgelopen maandag heeft het kabinet in

antwoord op vragen van collega Pechtold herhaald dat

Nederland noch militair betrokken was bij de voorbereiding

van de aanval op Irak, noch bij de aanval zelf en dat

er evenmin Nederlandse F-16’s dan wel speciale

eenheden zijn ingezet. Los van mijn politieke oordeel dat

dit wel had kunnen gebeuren, is daarmee wat mij betreft

de kous af. Collega Van Baalen noemt het een kwestie

van vertrouwen. Dat vind ik ook. Het kabinet heeft dit de

Kamer medegedeeld en het tegendeel is niet gebleken,

dus wij hebben het kabinet op dit vlak te volgen. Ik moet

hier meteen bij zeggen dat ik niet altijd zo loyaal aan dit

kabinet zal zijn, maar vandaag ben ik dat wel. Dat het

kabinet de Kamer niet zou hebben geïnformeerd over

een aantal niet ingewilligde verzoeken die bovendien

deels militair waren, doet daar niets aan af. Dat is

volgens mij een juiste manier van handelen van het

kabinet, van het vorige kabinet wel te verstaan.

Ik ga niet in op alle mogelijke verwijten die men in

verschillende radio- en televisieprogramma’s heeft

gemaakt door selectief memoranda en noem maar op

aan te halen, want die zijn mijns inziens voldoende

weerlegd in de brief van afgelopen maandag.

Het is goed om op zijn tijd terug te kijken naar het

verleden, ook voor politici, al is dit natuurlijk de taak van

historici. Mij lijkt dat wij het eindeloze gewroet en, staat

u mij toe, soms ook gezeur over dit dossier in het

verleden achter ons moeten laten. Ik stel dan ook voor

dat dit het laatste debat is dat wij deze eeuw over deze

kwestie in dit huis houden. Het zou mij een lief ding

waard zijn als wij ophielden met terugkijken. Laten wij

vooruit kijken. Er zijn genoeg serieuze zaken om meer

aandacht aan te besteden. Ik noem in dit verband Irak, de

politieke stabiliteit in het Midden-Oosten, Iran enzovoort.

Laten wij hier voorrang aan verlenen en dit dossier voor

eens en altijd sluiten. Dat lijkt mijn fractie een stuk

zinvoller.

De heer Pechtold (D66): Het is bijna aandoenlijk hoe de

heer Wilders het woord sluiten maar herhaalt in de hoop

dat dit dan ook gebeurt. Hij zegt dat er in programma’s

selectief wordt geciteerd uit gelekte memo’s. Kan hij dat

controleren omdat hij de gehele memo’s heeft gezien?

Zo nee, of zo ja, vindt hij niet net als de fractie van D66

dat dit soort memo’s aan de Kamer ter beschikking

moeten worden gesteld als zij eenmaal op straat liggen,

het kabinet eruit citeert en een oordeel over de citaten

geeft? Dan kan de Kamer het totaal beoordelen, bij

voorbeeld in een debat, zoals dat nu tussen hem en mij

plaatsvindt.

De heer Wilders (PVV): Nee. Ik raad het kabinet juist af

om die memo’s, die intern van aard zijn, naar de Kamer

te sturen. Daar zijn zij namelijk niet voor bedoeld. Het

kabinet heeft wel het volste recht om stukken – niet

alleen het memorandum waar het kabinet op pagina 2

van haar brief op wijst, maar ook een telex – te

weerleggen, die televisieprogrammamakers kennelijk in

handen hebben gekregen. Van dat recht heeft het kabinet

ook gebruik gemaakt. Zij geeft namelijk ook aan dat het

memorandum geen aanleiding geeft tot de stelling die

door het televisieprogramma is betrokken. In het

memorandum wordt uitdrukkelijk gesteld: ’’Een eerste

prioriteit is de terugkeer van inspecteurs. Pas daarna

komt de mogelijkheid van militair optreden aan de orde.’’

Ik geloof dat het kabinet de Kamer hier niet voorliegt. Ik

geloof dat het televisieprogramma selectief heeft

gewinkeld in de stukken. Als ik dat geloof, hoef ik de

stukken ook niet te zien.

De heer Pechtold (D66): Dus zonder dat u de stukken

zelf hebt gezien en zonder dat u daarover zelf hebt

kunnen oordelen, zegt u dat u datgene vertrouwt wat het

kabinet u voorschotelt, met een kwalificatie over het

werk van journalisten. Dat is wel heel veel vertrouwen

voor de toekomst als het erom gaat met uw fractie

vrijheid en democratie te zoeken bij een kabinet. In de

telex staan vier scenario’s, die alle vier uitkomen op

oorlog. Dat is toch duidelijk? Daar is toch geen letter

Chinees bij?

De heer Wilders (PVV): Ik treed niet in het geval van

welke specifieke casus dan ook. Op het eerste deel van

uw vraag wil ik wel antwoorden. Wij hebben in dit huis

de staatsrechtelijke basisregel dat wij ervan uitgaan dat

informatie van het kabinet aan de Kamer klopt wanneer

het tegendeel niet blijkt. Welnu, het kabinet heeft een

brief gestuurd waarin het onder meer is ingegaan op de

genoemde telex, maar ook op het in het televisieprogramma

genoemde memorandum. Ik ga ervan uit dat

dat klopt. Wat mij betreft is de zaak daarmee afgedaan.

De casuïstiek laat ik liever over aan historici. Ik herhaal

dat ik hoop dat wij hierover nooit meer hoeven te

spreken.

Wilders

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3216

©

De heer Van der Staaij (SGP): Voorzitter. Waar gaat dit

debat nu precies over? In eerste instantie leek het, toen

de heer Pechtold het aanvroeg, te gaan om de actuele

strategie ten opzichte van Irak en over de discussie

daarover in de VS. Dat is inderdaad een belangrijk

onderwerp. De situatie is zoals wij allen weten zorgwekkend.

De vrede is bepaald niet gewonnen. Het is nodig

om ons daarop voortdurend te bezinnen. Ik heb al eerder

aangegeven dat hier wat de SGP-fractie betreft goedkope

oplossingen niet voldoen, zoals eenzijdige pleidooien

voor een snelle terugtrekking van de troepen. Met holle

anti-Amerikaanse retoriek is nog nooit een oorlog

gewonnen.

De moeilijke politieke situatie in Irak vraagt naar de

mening van de SGP-fractie wel om een voortdurend

constructief politiek en zo nodig militair commitment. Ik

denk ook aan de huidige trainingsmissie voor Irakese

veiligheidsmensen.

Waar gaat dit debat nu eigenlijk over? De focus van

het debat is inmiddels verschoven naar de politieke

steun die in maart 2003 door de Nederlandse regering is

gegeven aan het militair optreden in Irak. De SGP-fractie

heeft met die politieke steunverlening ingestemd. Reden

daarvoor was het mislukken van de diplomatieke

pogingen om Saddam Hoessein tot nakoming te brengen

van de verplichtingen die de internationale gemeenschap

hem had opgelegd inzake massavernietigingswapens.

Prangende vragen over ontwapening werden niet

afdoende beantwoord en reden voor een gepast

wantrouwen was er volop. Tot tweemaal toe was

Saddam het buitenland binnengevallen en was hij er niet

voor teruggedeinsd om chemische wapens, mosterdgas

en zenuwgas te gebruiken tegen Iraniërs en Koerden.

Met pijn in het hart, omdat een oorlog altijd vreselijk is,

heeft de SGP-fractie daarom overtuigd steun gegeven

aan de inval in Irak, die ook leidde tot de beëindiging van

het massavernietigingsregime van Saddam Hoessein.

Wel hadden wij moeite met de figuur van de politieke

steun die wegens een gebrek aan draagvlak op dat

moment niet gepaard ging met enige militaire steun. Dat

kwam toch als een zwaktebod over, zoals wij indertijd

ook hebben gewisseld. Wij stonden erbij en keken er

goedkeurend naar, althans, figuurlijk gesproken, want

toen een Nederlandse generaal letterlijk te prominent in

beeld kwam bij een persconferentie, werd er zelfs ijlings

van de kant van de Nederlandse regering treurnis over

uitgesproken.

Het is opmerkelijk dat die tamelijk vrijblijvende

politieke steun politiek zo veel heeft losgemaakt. Er is

waarschijnlijk in de laatste jaren geen onderwerp te

vinden waarover zo veel moties zijn ingediend en

waarover zo veel debatten zijn gehouden als over de

achtergrond van de verleende politieke steun. Sinds

maart 2003 is er zo ongeveer eens per halfjaar een motie

ingediend waarin om een parlementair onderzoek werd

gevraagd, of dat nu de motie-Koenders, -Van Bommel,

-Karimi of -Kos¸er Kaya was, steeds met hetzelfde heldere

resultaat. De motie werd verworpen. Kortom, ik durf

vandaag te zeggen dat geen besluit van de afgelopen

jaren democratisch zo stevig is gelegitimeerd als het

afwijzen van een parlementair onderzoek naar de

politieke steun aan de inval in Irak. Dit is dus grondig en

van alle kanten bekeken en herhaaldelijk door de Kamer

van de hand gewezen nadat er uitgebreid inhoudelijk

over was gedebatteerd.

Toch blijft een minderheid vragen om zo’n onderzoek.

De vraag kan daarom opkomen, of dit geen reden is om

een onderzoek alsnog toe te staan. Er valt immers niets

te verbergen. Ik vind deze redenering eerlijk gezegd een

zeldzaam zwaktebod. Die zou een premie zetten op het

eindeloos opnieuw in stemming brengen van een

verworpen motie. Het is alleen al om te komen tot een

efficiënte werkwijze van het parlement, niet erg

raadzaam om de uitvoer van een motie die talloze malen

op goede gronden is verworpen, toch maar te honoreren

om van het gezeur af te zijn. Het is verder een doorzichtige

retorische truc om de suggestie te wekken dat wie

tegen een onderzoek is, kennelijk iets te verbergen heeft.

De truc waarbij de bewijslast wordt omgekeerd moet

kennelijk maskeren dat er onvoldoende positieve

redenen zijn te bedenken waarom zo’n onderzoek wél

nuttig zou zijn. Dit laatste is immers precies de reden

geweest waarom de motie niet door een Kamermeerderheid

werd gesteund; de exacte omvang en de

acuutheid van de dreiging van massavernietigingswapens

is voor de Nederlandse regering én een

meerderheid van het Nederlandse parlement nooit een

reden geweest om militair ingrijpen legitiem te achten.

De politieke steun was heel zorgvuldig juridisch

gegrondvest op het schenden van de resoluties door

Saddam Hoessein; wij hebben daarover uitgebreid

gedebatteerd.

Mevrouw Thieme (PvdD): Ik heb de fractievoorzitter van

de SGP deze ochtend op de radio nog horen spreken

over de kloof tussen publiek en politiek. De heer Van der

Staaij heeft het er nu over dat een minderheid in de

Kamer een parlementaire enquête wil, maar dat de

meerderheid daar absoluut niet voor is. Als wij echter

kijken naar wat het publiek wil, dan blijkt een meerderheid

van de Nederlandse bevolking vóór zo’n onderzoek

te zijn. Hoe kan het dat de fractievoorzitter van de SGP

pleit voor verkleining van de kloof tussen de politiek en

het publiek, terwijl de heer Van der Staaij nu zegt dat wij

in de Kamer dit soort zaken uiteindelijk zelf beslissen en

dat wij niets te maken hebben met wat een meerderheid

van de Nederlandse bevolking wil?

De heer Van der Staaij (SGP): Opiniepeilingen kunnen

niet de basis zijn van de besluiten die wij in de Kamer

nemen. Uiteraard moeten wij goed luisteren naar de

sentimenten die er onder de bevolking leven. Ik las laatst

echter ook over een onderzoeksrapport waarin werd

voorgesteld de bevoegdheden van justitie om huiszoekingen

te doen maar eens uit te breiden, want goedwillende

burgers hebben niets te verbergen en een

meerderheid van de Nederlandse bevolking voelt

daarvoor wel wat. Ik zeg dan: wacht even, er zijn ook nog

andere belangen die wij in ogenschouw moeten nemen.

Hierin kunnen wij niet zomaar meegaan. Argumenten

moeten altijd gewogen worden. Laten wij verder eerlijk

en nuchter zijn, mevrouw Thieme. Als een aantal

mensen, ook in de Kamer, telkens roept dat de boel

wordt misleid, dan gaan mensen vanzelf wel denken dat

de boel toch maar eens onderzocht moet worden. Ik

neem deze mensen immers niet kwalijk dat zij niet alle

uitvoerige debatten gevolgd hebben die wij hierover in

2003 gevoerd hebben. Ik neem ze niet kwalijk dat zij niet

meer precies weten hoe zorgvuldig en grondig de

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3217

afwegingen zijn gemaakt. Ik neem het hen niet kwalijk

dat zij dat niet meer allemaal op het netvlies hebben

staan. Het is óns werk om een en ander goed vorm te

geven. Ik kan aan iedereen uitleggen dat de Kamer zich

op dit punt goed gekweten heeft van haar controletaak;

ik durf dat met volle overtuiging te doen.

De kloof dichten tussen burgers en politiek is heel

lastig. Je komt er niet mee weg door daarvoor een

minderheid iets toe te staan. Juist de spoeddebatten

roepen onder de burgers immers veel ergernis op. Je

kunt je daarom in dit opzicht afvragen of de 30-ledenregeling

wel goed is. Ik herinner eraan dat wij die nu

juist hebben ingevoerd, omdat wij van Fortuyn meenden

geleerd te hebben dat wij in de Tweede Kamer meer

moesten debatteren over onderwerpen waarover in de

huiskamers gesproken werd. De conclusie werd

getrokken dat wij de kloof moesten dichten door snelle

spoeddebatten toe te staan. Nu zeggen wij weer dat al

die spoeddebatten het dichten van de kloof in de weg

staan. Het onderwerp dat u aansnijdt, mevrouw Thieme,

is dus belangrijk, maar wel een beetje lastig.

Ik had het over de politieke steun die zorgvuldig

juridisch was gegrondvest op het schenden van de

resoluties van de VN door Saddam Hoessein. Deze

motivering is glashelder; zij stond als een huis en staat

nog steeds als een huis. De ernstige problemen die

nadien in Irak zijn ontstaan, zijn hierop niet terug te

voeren. De eigenstandige motivering van de Nederlandse

regering voor de verleende politieke steun, maakt dat

elke vergelijking met andere landen waar wél parlementair

onderzoek plaatsvond, volstrekt mank gaat.

Bovendien ligt er een verschil doordat landen als de VS

en het Verenigd Koninkrijk daadwerkelijk militair

deelnamen aan het optreden in Irak.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Ik ken de heer Van der

Staaij als iemand die juridisch buitengewoon zorgvuldig

argumenteert. Is hij het met mij eens dat schending van

resolutie 1441, waarover het steeds gaat, nooit is

vastgesteld?

De heer Van der Staaij (SGP): Ik herinner mij nog

scherp dat alle landen van de VN met uitzondering van

Syrië destijds van mening waren dat Saddam Hoessein

de verplichtingen niet nakwam die hem op grond van de

resoluties waren opgelegd.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Ik herinner mij

wapeninspecteur Blix, die vond dat er vooruitgang

geboekt werd. Hij vroeg om nog een aantal weken voor

verder onderzoek. Daar is dwars doorheen gemarcheerd.

Niet voor niets, want ook de ambtenaren van Buitenlandse

Zaken hebben gezegd dat een en ander juridisch

aanvechtbaar was als grond voor oorlog.

Minister Verhagen: Voorzitter...

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Volgens mij denkt de

heer Verhagen dat hij nog in de Tweede Kamer zit.

De voorzitter: Mijnheer Verhagen, u heeft straks uw

termijn, niet nu.

Minister Verhagen: Voorzitter, hier wordt gesteld dat

ambtenaren...

De voorzitter: U heeft het woord niet. Als u dat wilt

hebben, moet u even wachten totdat mevrouw Halsema

is uitgesproken.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Zo’n ministerschap

heeft ook beperkingen.

Mijn vraag is dus waarom de Amerikanen en de

Engelsen anders een extra resolutie nodig hadden om de

aanval in Irak te legitimeren.

De heer Van der Staaij (SGP): Die extra resolutie was

wenselijk, maar niet noodzakelijk. Dat hebben wij toen

met elkaar gewisseld. Ook is toen gesproken over welke

consequenties er moesten worden verbonden aan het

feit dat Saddam Hoessein zijn verplichtingen op grond

van de resoluties niet nakwam. Legitimeerde dat een

daadwerkelijk militair optreden ja of neen? Dat hield ons

gescheiden in het politieke debat van toen, maar wij

hebben er wel een grondig debat over gevoerd. Ik vond

het terecht dat de heren Wilders en Van Baalen dat ook

aangaven, maar je moet ervoor oppassen kleine stukjes

uit dat debat en de redenering van toen te halen om die

vervolgens tegen het licht te houden, want dan loop je

het risico een onvolledig en vertekend beeld te schetsen

van de werkelijkheid. Lees de notulen van het debat van

28 augustus 2003 er maar op na. Toen is uitvoerig

gesproken over alle onderdelen en resoluties. Wij kunnen

dat nu niet snel even overdoen en er iets uitlichten, zoals

de heer Pechtold deed met zijn opmerking dat hij nog

even wilde spreken over het feit dat een aantal mensen

destijds op de Walrus stond. Zo werkt dat niet. Laten wij

niet op die manier debatten voeren. Dat is echt beneden

peil.

Ik kom tot een conclusie. Wij konden en kunnen onze

parlementaire energie wel beter besteden, dan met de

rug naar de toekomst te willen spitten in documenten die

simpelweg niet de basis vormden voor het relevante

besluit tot politieke steunverlening.

Waar gaat dit debat nu precies over? Het is de

regering moeilijk te verwijten dat zij geen uitvoering

heeft gegeven aan de telkens weer overtuigend

verworpen moties over de politieke steunverlening. De

kritiek lijkt zich nu toe te spitsen op de houding van de

PvdA-fractie, die de hardnekkig volgehouden wens tot

Mevrouw Halsema (GroenLinks)

© M. Sablerolle – Gouda

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3218

parlementair onderzoek heeft prijsgegeven tijdens de

kabinetsonderhandelingen en politieke steun onthield

aan een motie waar deze fractie op inhoudelijke gronden

erg voor was. Die inhoudelijke kritiek snijdt eerlijk gezegd

wel hout. Als je, zoals de PvdA, anders dan de SGPfractie,

echt vindt dat het heel erg nodig is dat hier

parlementair onderzoek naar plaatsvindt, is het ongepast

om dit als wisselgeld te gebruiken in coalitieonderhandelingen.

Het is een riskant precedent om niet het

voorgenomen beleid, maar de controlebevoegdheid van

het parlement tot onderhandelingsinzet voor een

coalitieakkoord te maken, maar dat debat voeren wij

vandaag ook niet.

Ik rond af. Het zal duidelijk zijn dat de SGP-fractie geen

enkel nieuw feit of argument ziet om terug te komen op

het standpunt dat wij steeds hebben ingenomen,

namelijk dat er geen goede reden is voor een aanvullend

parlementair onderzoek naar de Nederlandse politieke

steun aan het militair optreden in Irak.

De heer Van Bommel (SP): Voorzitter. De heer Van der

Staaij gebruikte eerder in zijn betoog het woord

’’democratisch’’, waar het ging om het afwijzen van

moties die op zo’n onderzoek aandrongen. Dat klopt. Een

meerderheid was daar tegen. Nu noemt het hij het

weggeven in de onderhandelingen over het regeerakkoord

door de PvdA van de mogelijkheid van een

onderzoek ongepast. Is dat niet veel meer ondemocratisch?

Het is een van de belangrijkste rechten van de

Tweede Kamer om te besluiten tot een parlementair

onderzoek. Als je afspreekt dat je van dat recht geen

gebruik gaat maken, stel je de werking van de democratie

even buiten de orde. Dat is niet ongepast, dat is

ondemocratisch. Wat vindt de heer Van der Staaij

daarvan?

De heer Van der Staaij (SGP): Dat is de kwalificatie van

de heer Van Bommel. Ik vond de term ’’ongepast’’ wel

mooi. Het is de vraag welke invulling je aan de term

’’ondemocratisch’’ geeft. Ik vind het ook niet zo sterk uit

het oogpunt van het goed functioneren van een

democratie om naar aanleiding van een motie, in dit

geval over een parlementair onderzoek, die hier uitvoerig

is bediscussieerd en waarvan het resultaat was dat er

geen onderzoek kwam, telkens op hetzelfde onderwerp

terug te komen, zonder dat er overtuigend nieuwe feiten

en omstandigheden zijn, maar gewoon omdat men zijn

zin niet heeft gekregen. Of dat democratisch zo sterk is,

daar kun je ook vraagtekens bij zetten. Het is het recht

van een fractie om telkens weer een motie in te dienen,

maar uit het oogpunt van het goed functioneren van de

democratie vraag ik me af of dat wel zo sterk is. Je voert

een volwassen debat met elkaar en daarna moet je soms

concluderen dat je je zin niet krijgt, omdat de meerderheid

ergens niet voor voelt, om heel goede redenen die

jij niet deelt. Dan moet je je verlies nemen en niet bezig

blijven, want de parlementaire energie die dit kost,

kunnen wij wel beter gebruiken.

De heer Van Bommel (SP): Voorzitter. Ik vraag de heer

Van der Staaij naar zijn oordeel over het weggeven van

een democratisch recht van het parlement door de PvdA.

De heer Van der Staaij (SGP): Laten wij het niet

zwaarder maken dan het is. Als de PvdA-fractie voor de

motie van uw fractie had gestemd, was zij ook niet

aangenomen. Het is hetzelfde als met de politieke steun

voor de oorlog in Irak. Zonder onze steun was het

waarschijnlijk op dezelfde manier gegaan. Dat relativeert

het toch wel een beetje.

De heer Van Bommel (SP): Voorzitter. Ik vraag de heer

Van der Staaij niet naar de uitkomst van een stemming

als de PvdA-fractie voor de motie had gestemd. Ik vraag

zijn oordeel over het weggeven van het democratisch

recht om onderzoek te doen; een van de belangrijkste

rechten van een parlement.

De heer Van der Staaij (SGP): De PvdA-fractie kan niet

in haar eentje een democratisch recht van de Kamer

weggeven. Dat is een misverstand. De Kamer bepaalt in

meerderheid of er een parlementair onderzoek wordt

gehouden. Ik had het overigens prima gevonden als de

PvdA tijdens de coalitieonderhandelingen tot de

overtuiging was gekomen dat er geen goede gronden

zijn voor een parlementair onderzoek, hoewel zij daar als

oppositiepartij altijd een punt van heeft gemaakt. Ik

schrok er een beetje van dat de PvdA nog steeds van

mening is dat een dergelijk onderzoek nodig is, maar

toch heeft afgesproken om dat maar niet te doen. Ik

wilde alleen maar zeggen dat dit naar mijn mening

wringt.

De heer Van Bommel (SP): Het lijkt alsof de heer Van

der Staaij denkt: als ik maar lang genoeg praat, dan gaat

die mijnheer bij de interruptiemicrofoon wel weg. Dat is

echter niet geval. Ik kan hem zeggen dat hij aan

geschiedvervalsing doet. Tijdens het debat over de

regeringsverklaring heeft de heer Tichelaar erkend dat de

PvdA dit recht heeft weggegeven. Gisteren heeft de

minister-president in de Eerste Kamer duidelijk gemaakt

dat er een afspraak over is gemaakt. Waarom loopt u

weg voor de werkelijkheid die wel wordt erkend door de

PvdA en het CDA?

De heer Van der Staaij (SGP): Kennelijk denkt de heer

Van Bommel: als ik hier maar lang genoeg blijf staan,

dan zegt de heer Van der Staaij wel wat ik wil. Maar zo

werkt het niet. Wij kiezen onze eigen bewoordingen en

wij hebben onze eigen opvattingen. Soms lopen die

parallel, maar soms ook niet. Van het laatste is dit een

helder voorbeeld.

Tot slot heb ik een vraag over de verzoeken die de

regering krijgt om militair aan bepaalde operaties bij te

dragen. Vanzelfsprekend wordt het parlement steeds

geïnformeerd als de regering daadwerkelijk van plan is

om ’’ja’’ tegen zo’n verzoek te zeggen. Hoe zit het echter

met verzoeken die worden afgewezen? Daarover wordt

het parlement niet structureel geïnformeerd. Het lijkt mij

dat de Kamer steeds moet worden geïnformeerd als een

dergelijk verzoek aan de orde is. Voor een samenhangende

beoordeling is het goed, te weten welke verzoeken

worden afgewezen, bijvoorbeeld vanwege de schaarse

militaire capaciteit.

De heer Van Dam (PvdA): Naar mijn indruk is het

Amerikaanse verzoek om bij te dragen aan de militaire

opbouw inzake Irak keurig aan de Kamer gemeld. Het

kabinet heeft destijds ook gemeld hoe daarmee werd

omgegaan. Daar zit volgens mij geen probleem.

De heer Van der Staaij (SGP): Het is goed dat u dit zegt.

Van der Staaij

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3219

Ik probeerde niet aan te geven dat er naar mijn mening

iets niet zou deugen. Het is mij opgevallen dat er geen

afspraken zijn op grond waarvan de Kamer structureel

wordt geïnformeerd over verzoeken om bij te dragen aan

militaire operaties. Voor het totaalbeeld is het goed om

ook te weten welke verzoeken worden afgewezen.

De voorzitter: Het woord is aan mevrouw Van Gennip,

die haar maidenspeech zal houden. Zij is zo ruimhartig

om de andere leden aan het eind van haar speech de

gelegenheid te geven om vragen te stellen. Ik zal

beoordelen in hoeverre die overeenstemmen met het

karakter van een maidenspeech.

©

Mevrouw Van Gennip (CDA): Voorzitter. Dit is een

bijzonder debat. Juist daarom kan ik mij voorstellen dat

de regels voor een maidenspeech soepel worden

toegepast.

Op 18 maart 2003 heeft er een uitgebreid debat in de

Kamer plaatsgevonden waarin de argumenten zijn

gewisseld inzake politieke steun aan de inval in Irak door

de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en

Australië. Het ging om politieke en niet om militaire

steun. Daarna is er in dit parlement nog vele malen over

gesproken. Met alle respect, maar de bijdragen teruglezend,

valt het mij op dat steeds dezelfde discussies

terugkeren.

De discussie over politieke steun is hier in alle

openheid gevoerd. Ik herhaal kort de overwegingen van

de CDA-fractie om destijds die politieke steun te

verlenen, overwegingen die nog steeds gelden. Saddam

Hoessein had gedurende een reeks van jaren niet

voldaan aan opeenvolgende VN-resoluties. Saddam

Hoessein had in het verleden niet geschuwd gifgassen –

en dat zijn massavernietigingswapens – in te zetten

tegen zijn eigen mensen en in de oorlog met Iran.

Daarom stelde resolutie 1441 dat hij zich diende te

ontdoen van massavernietigingswapens en dat daartoe

de burden of proof bij hem lag. In geval van niet

meewerken stelde resolutie 1441 serious consequences

in het vooruitzicht. Voor de duidelijkheid: het was dus

niet aan de internationale gemeenschap om aan te tonen

dat onomstotelijk vaststond dat hij in het bezit was van

massavernietigingswapens. Nee, het was aan hem om

aan te tonen dat hij die niet had. Uiteindelijk werkte

Saddam Hoessein niet mee. Iedereen herinnert zich de

inspecteurs die de paleizen niet in mochten en de 128

vragen van Blix die onbeantwoord bleven. Dan komt op

een gegeven moment de vraag: laat je Saddam Hoessein

hiermee wegkomen of vind je dat een onacceptabel

risico? Dat heeft de CDA-fractie op 18 maart 2003 gezegd

bij monde van Maxim Verhagen. Dat waren destijds de

overwegingen en die gelden nog steeds. Dat er nu geen

massavernietigingswapens zijn aangetroffen, doet niet af

aan de situatie toen. Saddam Hoessein werkte niet mee,

toonde niet aan dat hij niet beschikte over massavernietigingswapens.

Daarmee staat die besluitvorming.

Die besluitvorming is in alle openheid tot stand

gekomen. Het is een politieke oordeelsvorming. Daarna

is die besluitvorming nog vele malen in het parlement

besproken. Daarom is volgens de CDA-fractie een

parlementair onderzoek niet nodig.

De CDA-fractie kan zich vinden in de reactie van de

regering op de uitzendingen van Reporter en Argos. De

regering weerlegt duidelijk suggesties die daarin werden

gewekt. Het blijkt ook oud nieuws te zijn. Bovendien zijn

het onderwerpen en situaties waarover de regering al

verschillende malen met de Kamer heeft gesproken en

waarover de Kamer geïnformeerd is. De discussie van

vandaag zou moeten gaan over de huidige situatie in

Irak. Daar moeten wij onze energie op richten.

De CDA-fractie heeft grote zorgen over de verslechterende

situatie in Irak. Blair sprak van een orgie van

geweld. Bijna vier miljoen mensen op de vlucht, in Irak

en daarbuiten. Eerste vereiste is natuurlijk dat de

veiligheid van de burgers hersteld wordt, maar ook dat

de opbouw van bestuurlijke en juridische capaciteit grote

prioriteit heeft evenals de economische vooruitzichten op

de lange termijn. Het rapport van Baker en Hamilton

hecht aan de betrokkenheid van de regio, dus ook van de

buurlanden Iran en Syrië, bij het uitwerken van een

duurzaam traject voor Irak. Hoe ziet de regering deze

betrokkenheid? Kan de regering aangeven of er naast de

afspraak dat er een vervolgconferentie zal komen al

eerste uitkomsten zijn van de eerste conferentie op

10 maart in Bagdad? Hoe apprecieert zij dat proces? Op

welke manier kan de toegang voor hulporganisaties

worden verbeterd? Hoe ziet de regering de rol van de

UNHCR? Op welke wijze wil de regering extra bijdragen,

zoals zij schrijft in haar brief? Welk aanbod gaat de

Nederlandse regering concreet en expliciet doen op de

conferentie van 16 en 17 april?

De voorzitter: Ik constateer dat er geen vragen zijn aan

mevrouw Van Gennip. Dan feliciteer ik haar als eerste

met haar maidenspeech. Ik geef vervolgens haar

collega’s de gelegenheid voor felicitaties.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

©

De heer Voordewind (ChristenUnie): Voorzitter.

Allereerst feliciteer ik collega Van Gennip. Ik heb grote

waardering voor haar inbreng. Dit klinkt misschien gek

uit mijn mond, want ik ben relatief nieuw en zij is veel

langer aan de gang in het politieke bedrijf.

De omstandigheden waaronder de Nederlandse

regering vier jaar geleden met instemming van de fractie

van de ChristenUnie politieke steun heeft verleend aan

de inval in Irak zijn volstrekt duidelijk en al verschillende

keren in de Kamer aan de orde geweest. Niet de

aanwezigheid van massavernietigingswapen, maar het

feit dat Saddam Hoessein jarenlang weigerde gehoor te

geven aan de opeenvolgende resoluties van de

VN-Veiligheidsraad en het feit dat hij uiteindelijk de

resolutie 1441 naast zich neerlegde, vormden de

aanleiding voor militair ingrijpen in Irak. Dat was voor

ons aanleiding om daaraan politieke steun te verlenen.

Wat mijn fractie betreft is er dan ook geen enkele

aanleiding om de legitimiteit van dit besluit ter discussie

te stellen. De aantijgingen die onlangs in het radioprogramma

Argos en het tv-programma Reporter werden

geuit over de militaire betrokkenheid van Nederland bij

de inval in Irak en het bij voorbaat aansturen op het

verlenen van steun aan de oorlog worden wat mijn

fractie betreft in de brief van maandag 2 april overtuigend

ontkracht.

De argumenten voor de besluitvorming zijn eerder

besproken in diverse Kamerdebatten. Ik heb de Handelin-

Van der Staaij

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3220

gen er nog eens op nageslagen en ik ben onder de

indruk. Het is me nogal een rijtje. Er waren uitgebreide

debatten op 26 juni 2003, 28 augustus 2003, 19 februari

2004, 20 april 2004 en zo gaat het door tot 6 oktober

2005. Daarna zijn er nog vele Kamervragen gesteld en

zijn er moties ingediend. Er zijn brieven gestuurd over de

MIVD-rapporten, om maar niet te spreken over vertrouwelijke

overleggen met de CIVD over Irak.

Het zou goed zijn om het verleden nu eindelijk te laten

rusten en ons te concentreren op de toekomst. Daarom

was mijn fractie ook blij met de actualisering in de brief

van 2 april over de situatie in Irak op dit moment. Er zijn

nog vele inspanningen nodig om de stabiliteit en de

veiligheid in Irak te herstellen. Nederland zet zich

daarvoor in door een bijdrage te leveren aan een

NAVO-trainingsmissie. Mijn fractie vindt het hoopgevend

dat er onlangs in Bagdad een regionale conferentie heeft

plaatsgevonden, waaraan naast de permanente leden

van de Veiligheidsraad ook de buurlanden Syrië en Iran

deelnamen.

Duurzame stabiliteit in Irak kan niet worden bereikt

zonder medewerking van omliggende landen. In

hoeverre worden er daadwerkelijk vorderingen gemaakt

als het gaat om het op gang brengen van het

verzoeningsproces dat in het Hamilton-Baker-voorstel

wordt gesuggereerd en in hoeverre spelen de voorwaarden

voor met name de betrokkenheid van Iran en Syrië

daar nog een rol in? In het Hamilton-Baker-initiatief is

een aantal voorwaarden neergelegd en ik vraag mij af in

hoeverre daar in de aanloop naar een volgende

conferentie rekening mee wordt gehouden.

Mijn fractie maakt zich grote zorgen over de humanitaire

situatie in Irak en de situatie van de vluchtelingen.

Het is goed dat de Nederlandse regering zich bereid

heeft verklaard om meer middelen ter beschikking te

stellen. Er is echter meer nodig dan alleen financiële

middelen. Syrië en Jordanië zijn volgens hulporganisaties

onvoldoende in staat om de grote stromen vluchtelingen

op te nemen. Klopt het dat de Syrische en

Jordaanse autoriteiten hulporganisaties geen toegang

verlenen tot hun grondgebied? Ziet de minister mogelijkheden

om met Syrië en Jordanië en wellicht met andere

landen in de regio gesprekken aan te knopen om erop

aan te dringen de hulporganisaties wel toe te laten? Dan

kunnen vluchtelingen de noodzakelijke hulp krijgen.

De heer Pechtold (D66): Voorzitter. De heer Voordewind

zegt dat met instemming van de fractie van de Christen-

Unie toen politieke steun is gegeven. Zou de fractie toen

ook met militaire steun hebben ingestemd?

De heer Voordewind (ChristenUnie): Mijn fractievoorzitter

heeft daar toentertijd wel over gesproken, maar er

geen oordeel over uitgesproken, omdat dat toen niet aan

de orde was en er meer informatie nodig zou zijn

geweest om die afweging te maken. Wij hebben toen

expliciet gesproken over een politieke steun, gezien

resolutie 1441 en de gebrekkige uitvoering daarvan.

De heer Pechtold (D66): Hoe zou de heer Voordewind

oordelen als nu of op een later moment alsnog blijkt dat

er wel militaire steun vanuit Nederland is geweest,

voorafgaand aan of op het moment van de voorbereidingen?

Hij heeft gezegd dat dit voor hem nog steeds niet is

aangetoond, maar hoe oordeelt hij als dat alsnog mocht

blijken?

De heer Voordewind (ChristenUnie): Mij is altijd geleerd,

niet in te gaan op als-danvragen. Dat doe ik nu dus ook

niet.

De heer Pechtold (D66): Dat vind ik een dun antwoord,

want er zijn allerlei vermoedens van militaire aanwezigheid.

Ik heb er een reeks van vragen over gesteld. U gaat

er niet op in. U stelt terecht wel vragen over de huidige

situatie. Het zou ook aardig zijn om daar iets over te

horen. Wij kijken nu evenwel terug om vooruit te kunnen

kijken. Als dadelijk uit het antwoord blijkt dat er sprake is

geweest van militaire aanwezigheid, hoe duidt u dat

dan?

De heer Voordewind (ChristenUnie): U spreekt terecht

over vermoedens. Ik heb de programma’s ook gezien.

Die overtuigden mij er niet van dat Nederland wel

militair betrokken is geweest bij die oorlog. Ik heb netjes

de brief afgewacht die wij op 2 april hebben gekregen.

Daarin wordt klip en klaar bevestigd dat er, zoals in

voorgaande jaren in debatten is gemeld, geen militaire

steun is verleend. Ik zie geen reden om ons standpunt te

wijzigen.

De voorzitter: Een korte laatste interruptie, mijnheer

Pechtold.

De heer Pechtold (D66): Dank, voorzitter. Hoe duidt de

heer Voordewind het dat vanuit de Defensieorganisatie

waarvoor zijn minister nu verantwoordelijk is, door een

belangrijk iemand als oud-opperbevelhebber Couzy de

uitspraak is gedaan dat het onbestaanbaar is dat er geen

onderzoek komt?

De heer Voordewind (ChristenUnie): Ik sta hier niet om

de heer Couzy ter verantwoording te roepen of hem

vragen te stellen. Ik heb te maken met een regering met

ministers. Goed dat de brief van 2 april er is gekomen.

Net als de heer Van Baalen zeg ik dat ik vertrouwen heb

in dit kabinet. Ik heb vertrouwen in de ministers. Als de

ministers klip en klaar in de brief van 2 april aangeven

dat er absoluut geen militaire betrokkenheid is geweest,

heb ik geen reden om mijn standpunt te wijzigen. Ook

niet naar aanleiding van de andere uitzendingen en de

informatie die u vermoedens noemt.

De heer Pechtold (D66): Dit is geen antwoord op mijn

vraag.

De voorzitter: U hebt al vier keer de gelegenheid gehad

om de heer Voordewind te interrumperen.

De heer Pechtold (D66): Ik vroeg specifiek naar Couzy,

een voormalige bevelhebber, iemand die de afgelopen

jaren verantwoordelijk was en ...

De voorzitter: Ik heb uw vraag gehoord en de heer

Voordewind ook. U hebt volgens mij een antwoord van

hem gehad.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Nogmaals, ik heb

te maken met een regering, een kabinet en ministers. Die

kan ik als parlementariër ter verantwoording roepen. Ik

heb de brief van 2 april gehad. Ik ben geïnteresseerd in

wat er verder te melden valt in de termijn van de Kamer

Voordewind

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3221

en in die van het kabinet, maar vooralsnog zie ik geen

reden om een ander standpunt in te nemen.

©

De heer Van Dam (PvdA): Mevrouw de voorzitter. Iets

meer dan vijf jaar geleden sprak de Amerikaanse

president Bush in zijn State of the Union over de as van

het kwaad, de schurkenstaten Irak, Iran en Noord-Korea.

Het was de opmaat tot een proces dat ogenschijnlijk

onafwendbaar op oorlog leek af te stevenen, oorlog met

Irak. De Amerikanen vonden na 11 september de

dreiging van het Irakese regime en de combinatie met de

mogelijke aanwezigheid van massavernietigingswapens

te groot en bepleitten ontwapening en verandering van

het regime. Daarvoor was, in elk geval op dat moment,

onvoldoende steun bij de internationale gemeenschap.

Men vond niet dat een aanval op Irak te legitimeren was

op basis van de aanslagen van 11 september of op basis

van de overwegingen van de Amerikanen.

Er werd dus een traject ingezet via de Veiligheidsraad:

de terugkeer van de wapeninspecteurs. Wie op het

proces terugkijkt, moet de indruk hebben dat het traject

via de Veiligheidsraad één grote maskerade was, een

spel met de wereld inclusief de eigen bondgenoten, om

uiteindelijk op oorlog uit te komen. Mijn fractie had al in

2002 de nodige twijfels bij de Amerikaanse bedoelingen.

Mijn voormalige collega Bert Koenders heeft zich in deze

Kamer gedurende 2002 herhaaldelijk verzet tegen wat hij

noemde de oorlogslogica van de Amerikanen. Natuurlijk,

er was na het beëindigen van de wapeninspecties in

1998 nog de nodige onduidelijkheid over het Irakese

wapenprogramma. Natuurlijk, de wapeninspecteurs

moesten terug naar Irak, maar zij hadden serieus hun

werk moeten kunnen doen en zij hadden niet gebruikt

mogen worden als cover up voor een geplande oorlog.

En dat is in de ogen van mijn fractie wat er achteraf

gezien is gebeurd. Helaas heeft de toenmalige Nederlandse

regering destijds de Amerikanen steeds gesteund.

Vanaf het begin heeft de toenmalige regering betoogd

dat er al voldoende mandaat was voor het gebruik van

geweld tegen Irak. Mijn fractie heeft zich daar steeds

tegen verzet.

In januari 2003 stelden Koenders en De Graaf een

motie voor waarin het traject wat ons betreft werd

geschetst: de wapeninspecteurs moesten hun werk

kunnen doen, moesten daar ook meer tijd voor krijgen

en moesten hun bevindingen rapporteren aan de

Veiligheidsraad die zich in de openbaarheid zou moeten

buigen over eventuele bewijzen. Het was ook aan de

Veiligheidsraad om te beslissen over verdergaande

stappen. Die motie heeft het niet gehaald en dat leidde

ertoe dat de toenmalige regering op 18 maart 2003 aan

de Kamer liet weten, de op handen zijnde aanval van de

Amerikanen de Britten politiek te steunen, maar gelukkig

niet militair.

Voorzitter. Ook na vier jaar wil ik er geen misverstand

over laten bestaan: mijn fractie vond en vindt dat de

oorlog niet had mogen beginnen en dat Nederland de

Amerikanen en de Britten niet politiek had mogen

steunen. Er was geen bewijs voor een acute dreiging van

Irak, het onderzoek van de wapeninspecteurs naar de

aanwezigheid van massavernietigingswapens was nog

niet afgerond en in die situatie had alleen de Veiligheidsraad

het recht om de naleving van zijn eigen resoluties

door middel van geweld af te dwingen. De redeneerlijn

van de toenmalige Nederlandse regering was derhalve

niet alleen juridisch maar wat ons betreft ook politiek

zeer discutabel en wekte ook toen al in de ogen van mijn

fractie de indruk dat die slechts gezocht was om steun

aan de Amerikanen te kunnen verlenen. De politieke

steun die Nederland uitsprak is achteraf gezien extra

wrang toen de afgelopen jaren berichten naar buiten

kwamen dat er ook binnen de Nederlandse overheid

twijfels waren aan de juridische basis voor de oorlog en

twijfels over de Amerikaanse en Britse claims ten aanzien

van de aanwezigheid van massavernietigingswapens. De

toenmalige regering heeft die twijfels kennelijk gewogen

en desondanks gekozen voor steun aan de Amerikanen.

Om lessen te trekken voor de toekomst hebben wij de

afgelopen jaren gepleit voor een onderzoek naar de wijze

waarop de besluitvorming in die tijd tot stand is

gekomen. Wat wist Nederland en waarom werden

desondanks de Amerikanen gesteund? U kent de afloop:

geen Kamermeerderheid voor de verkiezingen, geen

Kamermeerderheid na de verkiezingen en ook niet gelukt

in de formatie. Dat is de situatie zoals die is en daar

komt deze periode ook geen verandering in.

De heer Van Bommel (SP): Voorzitter. In welke glazen

bol heeft de heer Van Dam gekeken als hij nu al weet dat

daar in deze periode geen verandering in komt? Is het

niet denkbaar dat er nog zodanige informatie boven tafel

komt – het lijkt wel of Plein 4, het ministerie van

Defensie, zo lek is als een mandje – dat er alsnog een

meerderheid ontstaat voor een onderzoek of kan hij zich

dat niet voorstellen?

De heer Van Dam (PvdA): Volgens mij is die discussie

ook gevoerd in het debat over de regeringsverklaring. De

heer Van Bommel weet precies wat is afgesproken, maar

ook dat als er echt nieuwe feiten op tafel komen, de

Kamer die hoort te wegen en op dat moment zullen ook

wij dat zeker doen!

De heer Van Bommel (SP): Maar dan trekt u uw

uitspraak van twee minuten geleden, namelijk dat die

meerderheid er ook in de komende periode niet komt,

weer in twijfel of eigenlijk helemaal in. U zegt nu dat het

wel mogelijk is, maar dat dan op dat moment moet

worden bepaald op basis van de informatie die dan op

tafel ligt.

De heer Van Dam (PvdA): Ik begrijp dat u mijn tekst niet

mee kan lezen, maar ik wil het wel herhalen. Er staat

namelijk dat er geen Kamermeerderheid was voor de

verkiezingen, geen Kamermeerderheid na de verkiezingen,

dat het ook in de formatie niet is gelukt en dat daar

geen verandering in komt.

De heer Van Bommel (SP): Het gaat mij om het laatste

zinnetje, namelijk dat daar geen verandering in komt!

Daarmee doet u een uitspraak over de toekomst.

De heer Van Dam (PvdA): Laat ik dan voor alle

helderheid zeggen dat er geen verandering komt in het

feit dat het is afgesproken in de formatie! Dat is toch

glashelder?

De heer Van Bommel (SP): Daarmee bedoelt u dus dat

er de komende vier jaar, of in ieder geval zo lang dit

kabinet er zit, geen onderzoek naar Irak komt?

Voordewind

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3222

De heer Van Dam (PvdA): Het wordt een herhaling van

het debat over de regeringsverklaring, want het is toen

ook allemaal al gewisseld dat het zo is afgesproken!

De heer Pechtold (D66): Voorzitter. Dat betekent dus dat,

ook als wij vandaag alsnog nieuwe feiten krijgen of als er

de komende tijd nieuwe zaken komen, de PvdA zich

angstvallig vasthoudt aan een in Beetsterzwaag door zes

heren gemaakte afspraak. De heer Van Dam zei net dat ik

een wat grote broek aantrok ten opzichte van het

verleden. Heeft hij zijn broek niet uitgetrokken en staat

hij hier niet in zijn hemd? Hij zal toch moeten erkennen

dat het aantal vragen dat nu voorligt een zodanige

omvang heeft dat niet staande kan worden gehouden dat

de hoge toon, de afgelopen jaren in motie op motie

aangegeven, nu niet meer nodig is? Of heeft hij

antwoorden op alle vragen die ik zojuist heb gesteld?

De heer Van Dam (PvdA): Je moet wel lef hebben om

een paar jaar lang deel uit te maken van de regering, het

regeringsstandpunt over politieke steun voor de aanval

op Irak te hebben gesteund, steeds weer het verzoek van

de Kamer om een onderzoek af te wijzen, nee te

antwoorden op de vraag of je dit aan de orde hebt

gesteld toen je minister was, en dan nu met dit soort

verwijten te komen.

De heer Pechtold (D66): Dit is geschiedvervalsing. In

tegenstelling tot de PvdA-fractie heeft de fractie van D66

schone handen in het Irak-dossier. Wij hebben namelijk

nooit de oorlog gesteund. De politieke steun kwam naar

voren toen de fractie van de Partij van de Arbeid in 2003

in het kabinet dreigde te komen. D66 heeft dit altijd

vrijgehouden bij de onderhandelingen. Daarom zijn de

meeste moties door ons ondertekend, dan wel door ons

ingediend om een antwoord op deze onderzoeksvragen

te krijgen. Sinds ons vertrek uit het kabinet en het begin

van het nieuwe kabinet met de Partij van de Arbeid komt

er iedere week meer informatie beschikbaar. De

Amerikanen, Engelsen en anderen hebben onderzoek

gedaan, maar de Partij van Arbeid onthoudt het

parlement zijn democratisch recht om dat te doen.

Waarom? Heeft de heer Van Dam een antwoord op alle

vragen die ik in eerste termijn heb gesteld?

De heer Van Dam (PvdA): De heer Pechtold zegt dat wij

de Kamer een democratisch recht onthouden. Wij

hebben in de formatie geprobeerd om een Kamermeerderheid

die tegen een onderzoek naar de besluitvorming

over Irak was, aan de kant te schuiven en langs die

weg alsnog een onderzoek te krijgen. Als de heer

Pechtold het wegschuiven van een meerderheid

democratisch vindt en het maken van afspraken en het

accepteren van de situatie in de Kamer ondemocratisch,

dan hebben wij een verschillende visie op democratie.

De heer Pechtold (D66): Het komt uiteindelijk neer op

een vraag: welk argument van de onderhandelaars

namens de Partij van de Arbeid heeft de fractie

overtuigd?

De heer Van Dam (PvdA): Dat mag helder zijn. Als wij

deelname aan het kabinet hadden afgewezen, was er nog

steeds geen onderzoek naar de besluitvorming over Irak.

Door wel aan het kabinet deel te nemen, kunnen wij in

ieder geval voorkomen dat het in de toekomst weer op

deze manier gaat en dat zullen wij dan ook doen.

De heer Pechtold (D66): Dit is geen antwoord op mijn

vraag. Ik vroeg heel duidelijk naar het argument. Dit hele

debat heeft pas zin als wij de vragen beantwoorden die

nu worden gesteld. Ik vraag aan de heer Van Dam wat

het argument was. De inzet van geld voor wijken of voor

onderwijs kan om moverende redenen worden afgewezen,

maar als de Partij van de Arbeid jaar in jaar uit

vraagt om een onderzoek, moet er toch een dringende

reden zijn geweest waarom zij zich zo door de pomp

heeft laten trekken.

De heer Van Dam (PvdA): Ik kan nu de woorden van

mijn fractievoorzitter tijdens het debat over de regeringsverklaring

citeren, maar dat is een herhaling van zetten.

De heer Pechtold vroeg om een argument en dat heeft

hij nu: de keuze was deelnemen aan het kabinet, ja of

nee. Daar hoorde deze afspraak bij. De keuze om niet

deel te nemen zou ook niet tot een onderzoek hebben

geleid, maar de keuze om wel deel te nemen leidt ertoe

dat de situatie in de toekomst anders zal zijn. Dit is een

antwoord op de vraag van de heer Pechtold, maar als hij

wil weten hoe de besluitvorming in mijn fractie is

verlopen, moet hij zich aanmelden als lid.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Zegt de heer Van Dam

nu dat het CDA de totstandkoming van deze regering

afhankelijk heeft gemaakt van het onderzoek naar Irak?

De heer Van Dam (PvdA): Volgens mij is dit allemaal

gewisseld in het debat over de regeringsverklaring.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Wil de heer Van Dam

antwoorden op mijn vraag?

De heer Van Dam (PvdA): Volgens mij heeft de heer

Tichelaar toen gezegd dat dit zo is.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Het CDA heeft dus

welbewust een regering willen riskeren op dit enige,

enkele onderwerp? Het CDA is dus schijnbaar zo bang

dat er een onderzoek komt naar Irak, dat het bereid is om

daarvoor een regering te boycotten.

De heer Van Dam (PvdA): Mevrouw Halsema moet die

vragen niet aan mij stellen. Ik wil wel zeggen dat ik het

volstrekt normaal vind dat er tijdens een kabinetsformatie

afspraken worden gemaakt, ook over het stemgedrag

van fracties in de Kamer. Dit gebeurt op allerlei onderwerpen.

Het is bekend dat het CDA in de afgelopen jaren

bijvoorbeeld geen voorstander was de voorstellen voor

de WAO die in het regeerakkoord zijn opgenomen en dat

het CDA een andere lijn heeft gekozen in de internationale

politiek. Daarover zijn dus ook afspraken gemaakt.

Zo gaat het altijd bij een formatie.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Voor de positie van de

Partij van de Arbeid is cruciaal of haar het mes op de

keel is gezet of dat zij dit gewoon heeft ingewisseld

tegen andere onderwerpen. Hoe sterk was dit argument,

hoe zwaar heeft het gewogen? Het is mij niet duidelijk of

de Partij van de Arbeid halverwege de formatie heeft

gezegd: wij ruilen dit in voor een paar andere onderwerpen,

of dat zij geen ander alternatief had.

Van Dam

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3223

De heer Van Dam (PvdA): Misschien moet mevrouw

Halsema het verslag van het debat over de regeringsverklaring

nog eens nalezen. Volgens mij was dat debat hier

volstrekt helder over. Je kunt alle vragen opnieuw gaan

stellen, natuurlijk snap ik hoe het hier werkt. Zo kun je

vier jaar lang steeds hetzelfde debat voeren.

Journalisten spitten nu in het verleden en dat is hun

goed recht. Maar in de uitzendingen van Argos en

Reporter heb ik, als ik heel eerlijk ben, weinig kunnen

ontdekken wat een nieuw licht op de zaken werpt; het

waren de zaken die we al wisten, waarover herhaaldelijk

in deze Kamer is gedebatteerd en waarover alle fracties

de bekende standpunten hebben ingenomen. Ik houd

echter, ook na de brief van het kabinet en de beantwoording

van de vragen van collega Pechtold, één vraag over

die nog niet eerder aan de orde is geweest in deze

Kamer. Het kabinet antwoordt aan collega Pechtold dat er

geen sprake is geweest van betrokkenheid van Nederlandse

militairen bij de inval in Irak of de voorbereidingen

daarop. Dat lijkt een helder antwoord, maar toch heb

ik de behoefte om de vraag scherper te stellen. Argos zal

zijn werk ongetwijfeld goed hebben gedaan, maar

beweringen zijn nog geen bewijzen. Ik vraag absolute

duidelijkheid van de minister-president en van de

minister van Defensie over het volgende: zijn er tussen

20 maart 2003, het begin van de oorlog in Irak, en 22 mei

2003, het moment dat de VN-resolutie over de wederopbouw

en de stabilisatie van Irak werd aangenomen,

Nederlandse militairen op of boven Iraaks grondgebied

aanwezig geweest?

De heer Pechtold (D66): Voorzitter. Ik stelde zojuist een

vergelijkbare vraag. Het kabinet spreekt over ’’eenheden’’,

maar laten we het maar over ’’manschappen’’

hebben. Ikzelf had het over manschappen ’’onder welke

vlag dan ook’’. Zou ik de vraag van de heer Van Dam,

met zijn toestemming, mogen uitbreiden met de periode

daarvóór, dus de voorbereidingsperiode? En zou ik bij

zijn ’’op of boven’’ Irak ook het watergebied mogen

betrekken? Dat is misschien interessant vanwege de

Walrus en de begeleiding van de Amerikaanse fregatten.

De heer Van Dam (PvdA): Volgens mij heeft de heer

Pechtold het volste recht om elke vraag die hij wil aan de

regering te stellen.

De heer Pechtold (D66): Ik zou het prettig vinden om dat

ook namens u te doen, omdat ik dan samen met u

consequenties uit het antwoord kan trekken.

De heer Van Dam (PvdA): Ik begrijp dat u graag namens

een fractie van 33 leden zou willen spreken, maar zo

werkt het hier niet.

De heer Pechtold (D66): Zo komen we steeds meer naar

elkaar toe!

De heer Van Bommel (SP): Voorzitter. Wil de heer Van

Dam ook antwoord op die vraag hebben als het om een

geheime missie ging?

De heer Van Dam (PvdA): Volgens mij is in deze Kamer

op 18 maart 2003 heel duidelijk gesproken over de

Nederlandse betrokkenheid bij de aanval op Irak. De

uitspraak van het kabinet destijds was glashelder: slechts

politieke steun, geen militaire. Dat betekent in mijn ogen

dat er geen militairen op of boven Iraaks grondgebied

aanwezig kunnen zijn geweest in de periode die ik net

noemde. Ik ga er ook van uit dat dit niet het geval was,

maar omdat hierover onduidelijkheid wordt geschapen,

wil ik hier een duidelijk antwoord op van de ministerpresident.

De heer Van Bommel (SP): Ten aanzien van geheime

missies is in 2000 een bepaalde procedure afgesproken,

waarbij de regering de Kamer niet hoeft te informeren

tijdens de missie en als de missie is afgelopen, zo

spoedig mogelijk. Eventueel kan dit ook via de commissie

voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten. Ik

herhaal mijn vraag: wilt u ook geïnformeerd worden over

een missie in of boven Irak als dit een geheime missie

betreft?

De heer Van Dam (PvdA): Ik ken die afspraken, maar

rondom Irak is er een duidelijke afspraak met de Kamer

geweest: geen militaire steun. Dat houdt ook in: geen

geheime missies. Ik ga ervan uit dat we hierop een

helder antwoord van het kabinet zullen krijgen.

Toen de Amerikanen de oorlog in Irak begonnen,

wisten ze hoe ze die oorlog moesten winnen. Maar

vandaag mag je stellen dat ze volstrekt onvoldoende

hebben nagedacht over het winnen van de vrede.

Tienduizenden, mogelijk honderdduizenden slachtoffers

zijn het gevolg. Het herstel van de vrede, veiligheid en

stabiliteit is helaas nog lang niet in zicht, ondanks de

inspanningen die na mei 2003 onder VN-mandaat zijn

gedaan, ook met behulp van Nederlandse militairen. De

situatie lijkt de laatste tijd alleen maar meer uit de hand

te lopen. De Amerikaanse strategie voor het herstel van

de rust en stabiliteit na de oorlog is jammerlijk mislukt.

Desondanks blijft Bush dezelfde strategie volgen, met

nog meer militairen. De Amerikanen zijn kennelijk van

mening dat je rust en stabiliteit met geweld moet

afdwingen. Het sektarische geweld laat zich niet

beëindigen met militair machtsvertoon, zeker niet

wanneer een Iraakse minister zelf partij lijkt te zijn, zoals

onlangs bleek uit een documentaire van Channel 4. Er is

een politieke oplossing nodig, waarbij de inzet van

machtige buren in de regio, zoals Iran en Syrië onmisbaar

is. De voorzichtige ambtelijke contacten moeten

worden gevolgd door politieke contacten. Ik vraag de

Nederlandse regering, daar bilateraal en in EU-verband

op aan te sturen. Uiteraard is de oplopende spanning

rond Iran een complicerende factor. Er lijkt een pad

ingeslagen te zijn waarbij Iran koste wat het kost moet

buigen voor de internationale gemeenschap. Als dat niet

gebeurt, dan hebben de Verenigde Staten in de woorden

van de Amerikaanse vicepresident Cheney alle opties

’’on the table’’. Als wij iets kunnen leren van vijf jaar

geleden, is het dat dergelijke uitspraken geen loze

woorden zijn. Menigeen houdt al rekening met de

mogelijkheid van een luchtaanval om de Iraanse

installaties met geweld te ontmantelen als de diplomatieke

weg niet tot resultaat leidt.

Vijf jaar geleden leidde soortgelijke logica tot een

proces waarin in deze Kamer stap voor stap werd bezien

welke vervolgstappen zouden moeten worden gezet.

Vanzelfsprekend hoop ik van harte dat het deze keer

anders gaat lopen, maar ik wil nu ook tijdig duidelijk

maken wat naar de mening van mijn fractie de positie

van de Nederlandse regering zou moeten zijn. Wij zijn

niet in dit kabinet gestapt om een herhaling van

Van Dam

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3224

2002/2003 mee te maken. In het geval van Iran is er geen

sprake van een acute dreiging; ik verwijs naar uitspraken

van de heer ElBaradei. Deze keer kan er geen misverstand

over bestaan dat er van een preventieve aanval

buiten de VN om geen sprake kan zijn. Ik neem aan dat

de regering dit standpunt onderschrijft en in de

diplomatieke betrekkingen met de VS duidelijk zal maken

dat de afloop van deze situatie geen preventieve aanval

zonder expliciet VN-mandaat kan zijn. Ik hoop de reactie

van het kabinet hierop te mogen horen.

Van vijf jaar geleden kunnen wij leren dat wij beter

tijdig kunnen anticiperen op de mogelijke verkeerde

afloop van een dergelijk conflict, maar nogmaals, ik hoop

dat het zover niet gaat komen. Alle diplomatieke

mogelijkheden moeten worden benut. Daarbij behoren

serieuze gesprekken met Iraniërs, waarin ook gesproken

wordt over hun veiligheidszorgen. Ik begrijp alle

bedenkingen over het Iraanse regime heel goed, maar

wanneer de VS en anderen steeds hun bedenkingen

uiten over dat regime en duidelijk laten merken, eigenlijk

een ander regime te wensen, mag het geen verbazing

wekken dat de Iraniërs zich zorgen maken over hun

veiligheid. De rol die Iran in de regio speelt is ontzettend

relevant. Iran beïnvloedt de situatie in Israël, in Libanon

en in Irak. Voor de stabiliteit in de regio is een confrontatie

met Iran allesbehalve wenselijk. Het aangaan van

onderhandelingen met Iran, waarbij er ook aandacht is

voor zijn veiligheidszorgen en de vraag, hoe om te gaan

met het kernenergieprogramma, lijkt de enige vreedzame

uitweg uit het conflict en waarschijnlijk de enige weg in

de richting van een stabiele situatie in de regio, niet in

de laatste plaats in Irak. Ik hoor graag van de minister

van Buitenlandse Zaken welke diplomatieke wegen hij

ziet. Ook hoor ik graag van hem hoe zijn kwalificatie van

de Iraanse regering als ’’plegers van staatsterrorisme’’

bijdraagt tot het dichterbij brengen van een diplomatieke

oplossing. Ook de minister begrijpt dat de situatie rond

de Britse mariniers alles te maken heeft met het conflict

over de nucleaire installaties van Iran. Voor de toekomst

van Irak en voor de regio is een vreedzame oplossing

van het conflict met Iran noodzakelijk. Laat dat dan in elk

geval de les zijn die wij hebben geleerd van de oorlog in

Irak.

De heer Van Baalen (VVD): De voorganger van de heer

Van Dam als buitenlandwoordvoerder van de PvdA, de

heer Koenders, heeft vele jaren twijfel geuit over het

correct informeren door de regering van de Kamer op dit

gebied. De heer Koenders is nu lid van het kabinet en

draagt mede verantwoordelijkheid voor de brief die op

2 april naar de Kamer is gestuurd, waarin het huidige

kabinet heel duidelijk stelt dat naar zijn oordeel de Kamer

correct is geïnformeerd over de besluitvorming door het

toenmalige kabinet. De PvdA moet nu ook duidelijkheid

scheppen. Deelt de fractie van de PvdA bij monde van

deze woordvoerder deze heldere conclusie van deze

regering, waaraan ook de PvdA deelneemt?

De heer Van Dam (PvdA): Ik heb op dit moment geen

informatie die leidt tot een andere conclusie.

De heer Van Baalen (VVD): Uw conclusie is dus dat de

Kamer steeds ordentelijk is geïnformeerd?

De heer Van Dam (PvdA): Ik heb de afgelopen dagen het

hele dossier uitvoerig doorgenomen. Ik kan daarin geen

punten ontdekken op basis van de informatie die nu

bekend is, welke zouden leiden tot de conclusie dat de

Kamer onjuist of onvolledig is geïnformeerd.

De heer Van Baalen (VVD): Betekent dit dat u daarmee

de discussie sluit, op basis van de informatie die u thans

hebt?

De heer Van Dam (PvdA): Ik denk dat u dat zo juist hebt

geformuleerd.

Mevrouw Van Gennip (CDA): Kunt u met betrekking tot

Iran uitleggen wat u verstaat onder een acute dreiging?

De heer Van Dam (PvdA): De heer ElBaradei zegt dat de

productie van een kernwapen in Iraanse handen nog

zeker vijf jaar weg is. Dat noem ik geen acute dreiging.

Mevrouw Van Gennip (CDA): Ik wil wel even zeggen dat

wij hierover van mening verschillen.

De heer Van Dam (PvdA): Ik kan mij niet voorstellen dat

wij van mening verschillen over de vraag of een termijn

van vijf jaar wel of niet acuut is.

Mevrouw Van Gennip (CDA): De rol die Iran in de regio

speelt, de invloed die Iran uitoefent op zijn buurlanden

en de manier waarop Iran interactie heeft met politici uit

andere landen, dat wordt door de buurlanden niet als

niet-bedreigend ervaren.

De voorzitter: De bedoeling is dat u een vraag stelt.

Mevrouw Van Gennip (CDA): Dat begrijp ik. Dit was

mijn inleiding tot de vraag. Daarmee baseer ik dus de

definitie van acute dreiging niet per se alleen maar op

een tijdslimiet. En mijn vraag is of u het daarmee eens

bent.

De heer Van Dam (PvdA): Er is een groot verschil tussen

ontwikkelingen als bedreigend ervaren en de vraag of die

ontwikkelingen daadwerkelijk een acute dreiging zijn.

Laten wij leren van de manier waarop het is gegaan een

paar jaar geleden. Wat mij betreft, is de enige goede

uitweg uit het conflict rond Iran een vreedzame uitweg.

Laten wij daar ook naar streven.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Het is opvallend dat de

PvdA-fractie nu ook vindt dat zij al die jaren volledig is

geïnformeerd. Dat is in strijd met wat de heer Koenders

altijd heeft gezegd, en hij niet alleen. Ook de partijleider

van de PvdA heeft het gezegd. Hij heeft zelfs publiekelijk

een verzoek ingediend bij de commissie voor de

Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten om informatie te

verzamelen over Irak, vanwege de onvolledige informatie

die de Kamer ontving. Zegt u nu achteraf dat ook dat

verzoek aan de commissie voor de Inlichtingen- en

Veiligheidsdiensten overbodig was en niet nodig?

De heer Van Dam (PvdA): Mevrouw Halsema moet

volgens mij goed onderscheid maken tussen de vraag of

er meer informatie is waar je in geïnteresseerd bent en

of de regering de plicht had om al die informatie aan de

Kamer te sturen. Die vraag gaat over de politieke

conclusie waar de heer Van Baalen mij een vraag over

stelde en mijn fractie heeft ook in het verleden nooit de

Van Dam

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3225

politieke conclusie getrokken dat de Kamer onjuist of

onvolledig was geïnformeerd.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Uw fractie had er in

ieder geval altijd heel grote zorgen over. Uw partijleider

had er heel grote zorgen over. De politieke conclusie is

nooit getrokken, omdat er nooit een onderzoek heeft

plaatsgevonden, zoals u weet. Maar begrijp ik het goed

dat u met terugwerkende kracht vindt dat eigenlijk zowel

de heer Koenders als uw partijleider geprobeerd heeft

om stenen op te lichten waar alleen maar zand onder

lag?

De heer Van Dam (PvdA): Voorzitter. Dat is een

onzinnige conclusie van mevrouw Halsema.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Deze wijze van

argumenteren kennen wij vooral van de heer Wilders. Ik

had zoiets nog niet eerder bij de PvdA-fractie beluisterd.

Zou u daar een argument bij kunnen geven? Ik confronteer

u alleen maar met de inconsistenties in uw eigen

fractie over de afgelopen jaren. U kunt wel zeggen dat dit

onzinnig is, maar legt u eens uit hoe u niet alleen van

opvatting verandert, maar ook uw nieuwsgierigheid in

een paar maanden volledig bent kwijtgeraakt en nu

eigenlijk vindt dat uzelf de afgelopen jaren onzinnig hebt

gehandeld.

De heer Van Dam (PvdA): Mijn fractie is niet haar

nieuwsgierigheid kwijtgeraakt. Dat hebben wij hier ook

uitdrukkelijk uiteengezet, alleen de politieke realiteit is

dat er noch voor, noch na de verkiezingen een meerderheid

was in deze Kamer om die nieuwsgierigheid te

bevredigen. Ik heb gezegd dat het via de formatie niet

gelukt is. Mijn fractie heeft geaccepteerd dat het zo is

gelopen en wij willen vooruit blikken en verder kijken.

Wij kunnen, met alle respect, deze Haagse discussie over

blijven doen, maar laten wij ook vooruitkijken en lessen

leren, om te beoordelen hoe de Nederlandse regering

om zou moeten gaan met de huidige situatie in het

Midden-Oosten. Volgens mij heeft de regio daar meer

aan.

De heer Pechtold (D66): Het is aandoenlijk, al die

gevoelens die de PvdA-fractie nu al vooruitwerpt naar

Iran. Ik ben blij dat het woord hypothetisch nog niet

gevallen is, maar het is van tweeën een. Of u zegt op

mijn eerdere interruptie: wij hebben het niet binnengehaald.

Dat zijn de woorden van partijleider Wouter Bos.

U kunt het argument niet noemen dat het CDA destijds

genoemd heeft, maar u kunt zeggen: wij hebben het niet

binnengehaald. Of u bent volledig geïnformeerd. Dan

liggen er geen vragen meer. Als het het een is, is het

gewoon een politieke nederlaag, is het het ander, dan

accepteert u dat de afgelopen jaren alle informatie is

gegeven en zou het u sieren of zelfs een dikke plus

opleveren als u een oordeel over het gedrag van de heer

Koenders en de heer Bos uitsprak.

De heer Van Dam (PvdA): Laat ik herhalen dat het de

heer Pechtold sowieso had gesierd als hij alle vragen die

hij vandaag heeft gesteld, de afgelopen jaren aan zijn

collega’s had gesteld.

Voor alle duidelijkheid: de heer Van Baalen vroeg mij

of ik op grond van de nu bekende informatie de politieke

conclusie trok dat de Kamer onjuist of onvolledig was

geïnformeerd. Dat doe ik niet. Dit is het antwoord dat ik

de heer Van Baalen heb gegeven.

De heer Van Baalen (VVD): Ik heb de brief van het

kabinet geciteerd, waar geestverwanten van uw fractie in

zitten. Daarin staat: wij hebben de Kamer in die periode

correct geïnformeerd. Bij het woord correct kun je aan

van alles denken, maar het blijft ’’correct’’. Neemt u die

conclusie over? U antwoordde ’’ja’’. Daar gaat het om. Ik

neem aan dat u daarbij blijft.

De heer Van Dam (PvdA): Volgens mij is de relatie

tussen kabinet en Kamer dat het kabinet het vertrouwen

van de Kamer geniet, tenzij het tegendeel wordt

aangetoond. De politieke conclusie van de Kamer is dus

altijd of zij op basis van de dan bekende informatie van

mening is dat zij juist of onjuist, volledig of onvolledig is

geïnformeerd. Op basis van de nu bekende informatie

kan ik niet anders dan de politieke conclusie trekken dat

er geen aanleiding is om te stellen dat de Kamer onjuist

of onvolledig is geïnformeerd.

De heer Pechtold (D66): Vanwaar dan de wens van de

PvdA tijdens de onderhandelingen om daar onderzoek

naar te doen?

De heer Van Dam (PvdA): Het debat over de vraag

waarom de PvdA die wens koesterde, is in het afgelopen

jaar een keer of negen, tien gevoerd. In de eerste plaats

koesterde de PvdA die wens om lering te trekken voor de

toekomst. Dat argument hebben wij steeds met elkaar

gedeeld. Misschien denkt de heer Pechtold hier vanwege

de veranderde politieke situatie ineens anders over, maar

de PvdA heeft om het onderzoek gevraagd om lering te

trekken met het oog op de toekomst. Begrijp mij niet

verkeerd, die behoefte had en heeft mijn fractie, maar u

weet hoe het is afgelopen. Toch kan de PvdA-fractie

lering trekken en met het kabinet afspraken maken over

de opstelling van de Nederlandse regering in toekomstige,

vergelijkbare situaties. Volgens mij heb ik

glashelder gemaakt hoe de Nederlandse regering zich in

de ogen van de PvdA-fractie moet opstellen.

De heer Pechtold (D66): Toekomstige situaties? De heer

Van Dam staat hier zijn tijd te vullen door alleen maar

over Iran te praten. Hij maakt opmerkingen over

ministers die uitspraken doen. Hij zegt dat het daarvoor

niet nodig is om terug te kijken. Ik vind dat ik daarom het

recht heb om te interrumperen.

De voorzitter: U vergist zich. U hebt geen recht om te

interrumperen, maar krijgt van mij al dan niet de

mogelijkheid om dat te doen. Die mogelijkheid heb ik u

niet gegeven. Ik sluit hiermee de inbreng van de heer

Van Dam af. Ik stel namelijk vast dat u steeds ongeveer

hetzelfde zegt, maar dan op een andere manier.

©

De heer Van Bommel (SP): Voorzitter. Hans Couzy,

oud-bevelhebber van de landstrijdkrachten en voorzitter

van de Federatie van Nederlandse Officieren zei het zo:

’’Ik vind het onbestaanbaar dat premier Balkenende het

onderzoek naar de besluitvorming over Irak nog steeds

blokkeert. Ik begrijp dat hij bang is voor gezichtsverlies,

maar hij kan de waarheid niet blijven tegenhouden. Er

Van Dam

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3226

moet een onderzoek naar Irak komen.’’ Voormalig

CDA-premier Van Agt vindt dat ook. Ik hoop dat veel

prominenten hun oproep volgen. Couzy heeft in Nova

ook een oproep gedaan tot het doorbreken van de

afdekcultuur bij Defensie. Ik hoop dat ook die wordt

gevolgd, bij voorbeeld door veel leden van zijn vereniging,

leden die zaken over deze kwestie te melden

hebben. Deze man vindt kennelijk dat er een hoop

verborgen is. Hij zegt ook dat het kabinet op zijn minst

een belangrijk deel van de waarheid heeft verzwegen. Ik

hoop dat hij blijft spreken.

Sommige fracties gebruiken het debat van vandaag

om nog eens toe te lichten waarom zij jaren geleden

politieke steun aan de inval in Irak verleenden. Als dit het

doel is van dit debat, is het in mijn ogen zinloos, want

dat hoofdstuk is inderdaad gepasseerd. Daarover hoeven

wij het de komende honderd jaar niet meer te hebben,

zoals collega Wilders zei. Het zou onzinnig en overbodig

zijn om dat debat steeds over te doen. Dit debat dient te

gaan over de vraag of de regering de Kamer volledig en

juist heeft geïnformeerd over alle aspecten die aan de

politieke instemming kleefden en aan het daadwerkelijk

kunnen of niet kunnen verlenen van militaire steun.

Dergelijke vragen moeten worden beantwoord. In ieder

geval moeten ze worden gesteld. Ik stel vast dat een fors

aantal fracties eigenlijk niet eens toekomt aan het stellen

van die vragen. Men stelt liever vragen over Iran of over

andere kwesties. Dat is buitengewoon te betreuren.

De belangrijkste afspraak in de formatie staat niet in

het regeerakkoord, namelijk de afspraak dat er geen

parlementair onderzoek komt naar de Nederlandse steun

aan de inval in Irak. Zo wordt een van de belangrijkste

rechten van de Tweede Kamer – het recht om zelf

onderzoek te doen – onmogelijk gemaakt door een

afspraak van regeringspartijen. Het is heel bijzonder dat

een recht van de Kamer buiten werking wordt gesteld

doordat regeringspartijen afspreken dat daarvan geen

gebruik wordt gemaakt. Bij mijn weten is dat staatsrechtelijk

nog nooit voorgekomen. Ik vraag de regering om

hierop te reageren.

De minister-president erkende gisteren opnieuw in de

Eerste Kamer dat het beter zou zijn geweest als de

afspraken over de mogelijkheid van een onderzoek

schriftelijk waren vastgelegd. Ik deel die opvatting. Ik

nodig de minister-president dan ook uit om dat alsnog te

doen. Dan kennen wij namelijk precies de inhoud van die

afspraak, die wij nu alleen maar kennen doordat die

volmondig is erkend door de fractieleider van de PvdA

en door de minister-president. Ik wil graag de letterlijke

tekst kennen van die afspraak. Hierover zal toch echt wel

iets meer zijn gezegd dan dat dit onderzoek maar niet

moet worden gehouden. Ik vraag de minister-president

om deze afspraak precies op papier te zetten, zodat wij

de betekenis daarvan ook echt kunnen doorgronden.

Wat betekent deze afspraak voor de toekomst? Mag de

PvdA ook niet voor een dergelijk onderzoek stemmen

wanneer er wel belangrijke informatie naar buiten komt,

bijvoorbeeld uit de krijgsmacht? Wanneer wel blijkt dat

er militairen zijn die hun mond opendoen over militaire

betrokkenheid? Wanneer mensen bij ministeries wel

gaan praten? Ik kan mij zo voorstellen dat dit debat en de

uitspraken van bijvoorbeeld de oud-bevelhebber en van

oud-premier Van Agt leiden tot gewetensnood bij

betrokkenen. Ik roep hen op om te spreken.

De minister-president heeft in de Eerste Kamer gezegd

dat het coalitieakkoord fracties van de Tweede Kamer

bindt en dat de Eerste Kamer daarom vrij is om te

besluiten dat er wel een onderzoek komt. Vanzelfsprekend.

De Eerste Kamer kan dat natuurlijk zelfstandig

besluiten. Daar gaat de minister-president en daar gaan

de fracties in de Tweede Kamer niet over. Daarover staat

niets in het regeerakkoord en naar ik aanneem ook niet

in de afspraak die mondeling is gemaakt en waarvan ik

hoop dat wij die ook nog schriftelijk krijgen.

Belangrijker dan de constatering dat de Eerste Kamer

dit recht heeft, is het antwoord op de vraag of de

regering in dat geval dan wel zal meewerken. Gaan de

dossiers dan open? Gaan de ministeries dan open? Als

het antwoord op die vragen nee is, heeft dat recht van

de Eerste Kamer ook weinig te betekenen, want dan zal

er ook niets boven water komen.

Ik loop enkele punten langs, te weten de documenten

waarover het televisieprogramma Reporter beschikt, het

memorandum van 19 augustus 2002 met het verslag van

een brainstormsessie waarin de regering rekening houdt

met oorlog en waarbij er wordt gediscussieerd over een

juridische basis voor de oorlog. Ik noem ook het andere

document, de telex van de Nederlandse vertegenwoordiger

bij de Verenigde Naties over de verwachting dat het

oorlog wordt. De regering schrijft in haar brief dat het

televisieprogramma selectief citeert. Dat gebeurt altijd bij

citaten, anders zou men alles gewoon voorlezen.

Waarom mag de Kamer die documenten niet zien? Ik heb

ze mogen inzien van het televisieprogramma in kwestie,

maar waarom mag de Kamer dat niet, om zelf te kunnen

vaststellen of er wel of niet juist wordt geciteerd, dan wel

of er een onjuiste suggestie wordt gewekt?

Hoe zit het verder met de brainstormsessie van

9 augustus 2002? Toen ik in die maand schriftelijke

vragen stelde aan de toenmalige minister van Buitenlandse

Zaken over Amerikaanse plannen om Irak binnen

te vallen, zei de minister dat het voorbarig was om in te

gaan op een hypothetisch scenario. Op hetzelfde

moment dat dit antwoord naar de Kamer kwam, op

19 augustus, is er op het ministerie dus al over deze

’’hypothetische mogelijkheid’’ en over de juridische

legitimatie gediscussieerd en zijn daarover al hardop

vragen gesteld. Dan zijn de vragen van mij op 19 augustus

toch onjuist beantwoord? Het was immers niet

voorbarig en hypothetisch. Waarom gaat u daarop niet in

in de brief van 2 april? De regering was met de hypothetische

mogelijkheid wel bezig en u hebt dit op dat

moment voor de Kamer verzwegen. Waarom erkent u dit

niet?

Ik kom op de brief van de Amerikanen van november

2002. Ook deze brief heb ik mogen zien. Waarom houdt u

die brief geheim? U zult verder toch wel schriftelijk

gereageerd hebben op die brief? Mogen wij het

antwoord zien? Dat lijkt mij hoogst relevant, ook bij de

beoordeling van uw opmerking dat het niet ging om een

verzoek en dat de wapens die genoemd werden,

gevechtsvliegtuigen, F-16’s, Apache-gevechtshelikopters

en ander wapentuig, een illustratie waren. Die waren

geen illustratie maar een inventarisatie. De Amerikanen

wilden op dat moment van Nederland weten of wij

eventueel bereid waren deze wapens in te zetten, met

andere woorden of wij ook in een vroeg stadium wilden

deelnemen aan het militaire deel van de oorlog. De

wapens die werden genoemd, zijn namelijk wapens die

je in een vroeg stadium van een conflict inzet. Daarover

hebt u de Kamer helemaal niets gezegd. U informeert de

Kamer wel over het eerste deel van het verzoek; u zei

Van Bommel

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3227

daarover dat de regering daartegenover in beginsel

positief stond. Het kan niet anders dan dat het tweede

deel wel in het kabinet is besproken, want uiteraard hebt

u deze brief van de Amerikanen in zijn geheel besproken.

U zult immers niet het tweede deel hebben weggelaten

omdat dat maar een illustratie was. U hebt kennelijk

besloten de Kamer niet te informeren over het tweede

deel. Toch is dit heel relevante informatie.

De heer Van Dam (PvdA): De fracties van de SP en de

PvdA hebben de afgelopen jaren op dit dossier samen

opgetrokken. Wij hebben dat altijd op grond van zuivere

argumenten gedaan. Het lijkt mij goed dat nu te blijven

doen. Ik citeer de brief van het kabinet aan de Kamer van

21 november 2002: ’’Met het oog op het opvoeren van de

druk hebben de Verenigde Staten een verzoek gericht

aan de Nederlandse regering om bij te dragen aan de

planning ten behoeve van een mogelijk militair optreden.’’

Hierbij is toch geen woord Spaans?

De heer Van Bommel (SP): Dat klopt. Daarom is het zo

moeilijk te begrijpen dat de regering nu stelt dat het

tweede deel van de brief geen verzoek betrof. Dat vond

zij een paar jaar geleden wel, maar nu stelt ze dat het

geen verzoek was. Dat doet ze, omdat de brief in beeld

werd gebracht, de brief die wij nog steeds niet mogen

zien. De regering zei dus eerst dat er wel een verzoek

was gedaan, maar dat ze dat tweede deel van het

verzoek had afgewezen. Nu zegt ze dat dit deel geen

verzoek was, maar een illustratie. Dat klopt dus niet.

Daarover moet de regering helderheid verschaffen. Zij

heeft de Kamer alleen over het eerste deel van de brief

van de Amerikanen geïnformeerd. Zij heeft dus de Kamer

belangrijke en concrete informatie onthouden.

Ik kom op de bewering van het radioprogramma

Argos. Daarin wordt gesproken over de inzet van

F-16-gevechtsvliegtuigen boven Irak en de inzet van

speciale eenheden in Irak. Dat zijn ernstige beschuldigingen.

De mensen van Argos zeggen dat zij getuigen

hebben gesproken. De regering zegt: dat is niet waar, dat

kan niet. Waarom laat u welk radio- of televisieprogramma

dan ook ongestraft zulke ernstige leugens over

u vertellen als u echt vindt dat ze niet waar zijn? Waarom

laat u dat gebeuren? Als u stelt dat het niet waar is,

waarom laat u deze leugens dan zomaar gezegd worden?

U schrijft er een briefje over aan de Kamer, maar verder

houdt u uw mond. Voor een foto van het gezin van de

vicepremier wordt een gang naar de rechter overwogen,

maar over dergelijke laster die de Nederlandse regering

en de Nederlandse krijgsmacht betreft, haalt u achteloos

uw schouders op. Dat komt hoogst ongeloofwaardig

over. Of er moet wel iets zijn gebeurd, maar wij mogen

dat niet weten. Zijn er misschien geheime militaire

operaties geweest, zoals die staan beschreven in de brief

van 23 augustus 2000? Het kan dan bijvoorbeeld gaan

om het verzamelen van bijzondere inlichtingen, of om

mililaire-steunverlening aan bondgenoten. Overeenkomstig

artikel 100 van de Grondwet wordt het parlement zo

spoedig mogelijk geïnformeerd over afzonderlijke

geheime operaties. Is de Kamer op de hoogte gesteld

van geheime operaties rond Irak? Is dat misschien de

inhoud geweest van de geheime bijeenkomst met de

commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten?

Waarom mogen de Kamer en het Nederlandse volk jaren

na dato hierover niet alles weten?

Ik rond af. VN-wapeninspecteur Scott Ritter zou de

Nederlandse inlichtingendienst hebben gemeld dat het

onwaarschijnlijk was dat Irak massavernietigingswapens

bezat. Is dat waar? Kan de regering dat bevestigen?

Toenmalig minister van Defensie Korthals twijfelde eind

2002 over de veronderstelling dat Irak massavernietigingswapens

bezat en vroeg de militaire inlichtingendienst

om een eigen oordeel. Is dat waar en wat was het

oordeel van de inlichtingendienst? Twijfelde de militaire

inlichtingendienst zelf over de bewering dat Irak binnen

45 minuten het westen kon aanvallen met massavernietigingswapens?

Waarom wordt de brief van Tony

Blair over dit onderwerp niet openbaar?

Tegen de minister-president die dit hele dossier erg

persoonlijk raakt, zou ik willen zeggen: dit onderwerp

gaat niet vanzelf weg door er niets over te zeggen. Dit

onderwerp staat op de politieke agenda en blijft daarop

staan totdat alle vragen zijn beantwoord. Erger voor de

minister-president: niet alleen op de politieke agenda,

maar ook uitdrukkelijk op de publieke agenda. Nederland

en de Nederlanders willen openheid over Irak, nu!

©

Mevrouw Thieme (PvdD): Voorzitter. Nederland is in

oorlog, maar dat lijkt de Nederlandse burgers niet aan te

mogen gaan. Er mag geen parlementair onderzoek

komen naar de omstandigheden waaronder Nederland

heeft besloten mee ten strijde te trekken in Irak. Zelfs de

PvdA die steeds heeft gesteld dat de onderste steen

boven zou moeten komen in dit dossier, heeft dat

uitgangspunt uit handen laten vallen in de coalitieonderhandelingen.

Het is onbegrijpelijk dat een

dergelijke kwestie van leven en dood door een coalitie

van PvdA, CDA en ChristenUnie onder het tapijt wordt

geveegd.

Overal ter wereld wordt onderzoek gedaan naar de

rechtvaardiging van de oorlog in Irak, de omstandigheden

waaronder die is aangevangen en de politieke

verantwoordelijkheid voor de deelname aan de oorlog, in

de VS, in Groot-Brittannië, maar niet in Nederland. De

PvdD vindt dat onbegrijpelijk en onacceptabel. De

afstand tussen burger en politiek kan alleen maar groter

worden wanneer de politiek geen openbare verantwoording

wil afleggen of durft af te leggen van haar daden,

zeker waar dat het voeren van een oorlog betreft. Dus

moet het onderzoek noodgedwongen worden overgelaten

aan onderzoeksjournalisten van programma’s als

Argos en Reporter en volstaat het kabinet in zijn brief

aan de Kamer met het weerspreken van de uitkomsten

van de programma’s op punten en komma’s. Het is een

brief vol verhullend taalgebruik.

De PvdD vindt dat een beschamende vertoning. Niets

vraagt zo’n nadrukkelijke transparantie als vraagstukken

van oorlog en vrede, het aangaan van bondgenootschappen

tot het voeren van een gezamenlijke oorlog en de

legitimatie van een dergelijke oorlog, niet alleen

vanwege de oorlog in Irak, maar ook vanwege andere

oorlogen waarbij Nederland betrokken is, zoals in

Afghanistan. Veel burgers kunnen maar geen goed beeld

krijgen van de vraag of er sprake is van een zogenaamde

opbouwmissie of van een daadwerkelijke oorlog. Het

heeft er alle schijn van dat wat wordt verkocht als

opbouw in werkelijkheid niet veel anders is dan wat wij

vroeger oorlog noemden. Wij hebben eerder eufemismen

voor het woord ’’oorlog’’ bedacht in dit land, zoals

Van Bommel

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3228

politionele acties, maar de PvdD vind het niet meer van

deze tijd nog steeds geen openheid te betrachten over

het aanvangen en voeren van oorlogen en het afleggen

van verantwoording daarvan aan bevolking en volksvertegenwoordiging.

In die zin vinden wij de brief van de

minister en het debat van vandaag ook een schijnvertoning

die niet gericht lijkt te zijn op openheid, maar op het

afdekken daarvan. Wij roepen alle partijen op alles in het

werk te stellen om de regering tot openbare verantwoording

te bewegen via een onafhankelijk onderzoek van

bijvoorbeeld het NIOD. Hoe kan de Kamer een zorgvuldig

buitenlandbeleid ontwikkelen als zij niet kan leren uit het

verleden? Als het niet via de Tweede Kamer kan, zou een

onderzoek door de Eerste Kamer moeten worden

afgedwongen of desnoods via het burgerinitiatief. Het

moet duidelijk worden dat het besluit tot deelname aan

een oorlog een zaak is die alle burgers van ons land

aangaat en niet alleen een kleine groep beslissers in

kabinet en krijgsmacht, die openbare verantwoording uit

de weg lijken te gaan.

©

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Voorzitter. Oorlogen

hebben vrijwel altijd tot onderzoek geleid, zij het dat deze

onderzoeken zelden met enthousiasme werden ontvangen

door de zittende regering. Ik verwijs naar het

onderzoek naar de politionele acties in reactie op de

Indonesische vrijheidsstrijd. Dit liet jaren en jaren op zich

wachten. Het ging mank, maar het kwam er. Pas zeer

recent heeft minister Bot kunnen en durven erkennen –

daarvoor zijn wij hem zeer erkentelijk – dat Nederland

aan de verkeerde kant van de geschiedenis stond. Ik

verwijs ook naar het onderzoek naar Srebrenica waarbij

de regering jaren dwars lag. Maar het onderzoek kwam

er en dat leidde – dat weten wij allemaal – tot het

aftreden van de toenmalige paarse regering. Oorlog,

militair of politiek gesteund, slaat altijd een wond in de

samenleving. Het is bekend wat er gebeurt met wonden

die je niet verzorgt: die gaan etteren. Dat is precies wat

er nu lijkt te gebeuren.

Er ligt een aantal vragen op tafel die ons door

scherpzinnige onderzoeksjournalisten zijn aangereikt.

Veel van die vragen zijn al gesteld door de heer Pechtold

en de heer Van Bommel. Ik kan mijn betoog daarom kort

houden. Ik noem nog wel de vraag op welk moment de

beslissing is genomen om de oorlog in Irak politiek te

steunen. Ik herhaal ook de vraag of er op geen enkel

moment militaire steun is gegeven aan de oorlog in Irak.

Is er geen enkel commando, geen enkele militair, geen

enkele F-16 of geen enkel fregat actief geweest? Graag

krijg ik hier een gedetailleerd antwoord op.

Mijn fractie heeft nog wel vragen over de argumentatie.

De regering heeft altijd gesteld dat niet-naleving van

de resoluties de grond was voor het verlenen van

politieke steun en niet het al dan niet aanwezig zijn van

massavernietigingswapens. Nu zegt de SP dat dit geen

reden meer is voor onderzoek. Mijn fractie wenst dat te

bestrijden. Als je de stukken terugleest – ik heb dat zeer

nauwkeurig gedaan – dan zie je dat gedurende heel 2002

en begin 2003 de aanwezigheid van massavernietigingswapens

het doorslaggevende argument is. Nagelvast, zo

werd gezegd, zijn er massavernietigingswapens. In het

grote debat in maart 2003 zei de premier dat de

aanwezigheid van massavernietigingswapens was

aangetoond. Maar wat zie je dan? Nadat Engeland en

Amerika geleidelijk zijn gaan schuiven en hebben moeten

erkennen dat Powell in zijn eerste presentaties wat

minder overtuigend was dan men aannam, is het

argument van de resoluties steeds prominenter naar

voren gekomen. Het is een argument achteraf. Mijn

fractie hecht eraan dat de regering zich daarover nu

opnieuw verantwoordt.

De heer Van Bommel (SP): Ik denk dat mevrouw

Halsema zich vergist. Ik heb niet gezegd dat daar geen

onderzoek meer naar gedaan hoeft te worden. Ik heb

gezegd dat sommige fracties dit debat gebruiken om hun

eigen steun aan die oorlog nog eens te legitimeren. Daar

gaat dit debat volgens mij niet over.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Het is fijn, dat te horen.

Ik neem aan dat u zich bij mij aansluit.

De fractie van GroenLinks heeft ook de argumentatie

van de resoluties nooit overtuigend gevonden.

Mevrouw Van Gennip (CDA): In het debat van 18 maart

2003 redeneerde de regering dat Saddam Hoessein niet

kon aantonen dat hij geen massavernietigingswapens

had. Ik heb in geen enkel stuk over het debat van

18 maart 2003 gelezen dat de premier heeft gezegd dat

Saddam Hoessein onomstotelijk in het bezit was van

massavernietigingswapens. Misschien kan mevrouw

Halsema mij zeggen waar dat staat.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Ik zal het voor u

opzoeken. Het stuk ligt op mijn tafel. Ik heb het nu niet

bij de hand, maar ik reik het u graag aan. Ik wil het, als

daar behoefte aan is, laten toevoegen aan de Handelingen.

Voorzitter. Ik heb dit debat met interesse gevolgd. Ik

heb mij zeer verbaasd over het gebrek aan nieuwsgierigheid,

het gebrek aan lust tot waarheidsvinding bij de

verschillende partijen. De heer Van Baalen verwijt mij

bijvoorbeeld stenen op te willen tillen waar alleen maar

zand onder zou liggen. Dat verwijt kan ik ook omkeren.

De heer Van Baalen stampt de stenen nog eens flink aan

in de hoop dat er geen enge beestjes onder tevoorschijn

kruipen.

En dan de positie van de PvdA. De heer Van Dam zegt

geen nieuwe informatie te hebben gehoord in de

uitzendingen van Argos en Reporter. Dat verbaast mij. Ik

kan mij voorstellen dat diezelfde uitzendingen voor de

PvdA, toen zij nog in de oppositie zat, reden zouden zijn

geweest om talloze vragen te stellen. Ik vind het nogal

zorgwekkend dat de PvdA niet alleen haar positie heeft

ingeleverd – onduidelijk om welke redenen – maar ook

haar nieuwsgierigheid.

De heer Van Dam (PvdA): Mevrouw Halsema mag van

alles zeggen, maar zij moet mij wel juist citeren. Ik heb

gezegd dat de uitzendingen geen nieuw licht werpen op

de zaak.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Dat vind ik even

verbazingwekkend. Ik herinner u aan de vier scenario’s

van de permanente vertegenwoordiging bij de Verenigde

Naties die al in een heel vroeg stadium onafwendbaar

redeneren in de richting van oorlog. Ik neem aan dat u

die informatie ook niet bezat. Of bezat u informatie die ik

niet had? Ik begrijp niet waar het kritische besef van de

PvdA is gebleven. Ik moet zeggen dat ik in toenemende

Thieme

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3229

mate moeite heb met de wijze waarop de PvdA zich hier

verdedigt. Ik hoorde dat u op de radio hebt gezegd dat

het onderzoek een spelletje dreigde te worden. Nou, dan

neemt u de activiteiten van uw partij in het verleden

weinig serieus. Het valt mij helemaal van u tegen dat u

het Haags noemt. Ik hoef alleen maar te verwijzen naar

de campagneactiviteiten van uw eigen politieke leider. Hij

zou het verwijt van Haags gedoe buitengewoon fel

hebben weerlegd. Ik kan accepteren dat u nu een politiek

probleem hebt, maar u moet anderen die wel consequent

zijn niet verwijten dat zij Haags zijn. Ik begrijp wel

om welke politieke reden u nu afhoudend bent. Nieuwe

informatie zal natuurlijk betekenen dat de afspraken in

het regeerakkoord wankel worden.

De vraag aan de PvdA-fractie is de volgende.

Journalisten lichten tegels, zoals Henk Hofland het ooit

mooi zei. En dat zullen ze blijven doen, daar kan men

vergif op innemen. Hoe lang zal de PvdA-fractie dan

blijven zeggen dat zij correct is geïnformeerd? Hoe lang

zal zij nog gebonden zijn aan het regeerakkoord? Kan er

voor de PvdA-fractie een moment komen dat nieuwe

informatie leidt tot verandering van opvatting? Ik stel

deze vraag omdat de heer Van Baalen in zijn eerste

termijn zei dat echt nieuwe informatie – hij diskwalificeerde

de informatie tot nu toe als nieuwe informatie –

kan leiden tot het opnieuw ijken van de positie van de

VVD. Dat is interessant, want de VVD-fractie neemt op dit

moment een dynamischer positie in dan de PvdA-fractie.

Als er nieuwe informatie komt, kan dat tot gevolg

hebben dat er wel degelijk een Kamermeerderheid is.

Waar gaat de PvdA-fractie zich dan achter verschuilen?

Geschiedenis haalt je altijd in. Dat laat de weerspannigheid

van eerdere kabinetten in vergelijkbare situaties

wel zien. Vorige kabinetten hebben onderzoeken naar

Srebrenica zeven jaar weten tegen te houden, maar zij

werden uiteindelijk ingehaald. Regeren is niet alleen

vooruitkijken; het is ook achteromzien, zeker als het gaat

om iets ernstigs als oorlogvoering. Ben je niet bereid

achterom te zien, dan loop je het grote risico dat

langzaam maar zeker ook je zicht naar voren beklemd

raakt.

Laat mij dan ook tot slot een strategisch advies geven

aan de premier en zijn kabinet. Sta een onderzoek toe,

want het beschermt het kabinet tegen het telkens naar

boven komen van ongewenste informatie die het kabinet

in problemen zal brengen en die afleidt van het uitvoeren

van het regeringsprogramma. Als het kabinet bovendien

zo zeker is van zijn zaak, zou het de Kamer alle ruimte

moeten geven.

De beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt van 14.10 uur tot 15.10 uur

geschorst.


Aan de orde is de voortzetting van het debat over het

kabinetsstandpunt inzake Irak.

De voorzitter: Ik geef het woord aan mevrouw Halsema,

die een toezegging gestand wil doen.

©

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Voorzitter. Ik heb in

eerste termijn aan mevrouw Van Gennip toegezegd dat ik

nog iets zou toevoegen aan de Handelingen.

Ik heb gezegd dat op 18 maart 2003 tijdens het

Irak-debat ook premier Balkenende weer aannam dat er

massavernietigingswapens waren. De woorden van de

premier luidden: ’’De essentie is echter de ontwapening

van een agressor die massavernietigingswapens in zijn

bezit heeft.’’

De voorzitter: Dat is bij dezen dan opgenomen in de

Handelingen.

©

Minister Verhagen: Mevrouw de voorzitter. Alvorens in

te gaan op de reportages van Reporter en Argos zal ik

voor de goede orde nogmaals stilstaan bij de redenering

die destijds de grondslag vormde voor het kabinetsbeleid

ten aanzien van Irak; een redenering die destijds werd

gesteund door de Kamer. Vervolgens ga ik in op de

actuele situatie rondom Irak, waarna collega Van

Middelkoop de hem betreffende punten zal behandelen

en tot slot zal de premier ingaan op de vragen over een

onderzoek.

Om te beginnen, in 2002 was er een groot aantal

onbeantwoorde vragen over in Irak aanwezige massavernietigingswapens.

Die vragen kwamen voort uit het

gegeven dat Saddam Hoessein onvoldoende medewerking

verleende aan de VN-inspecteurs, eerst van

UNSCOM en later van UNMOVIC. Bij de eerste serie

wapeninspecties door UNSCOM die eind 1998 werden

afgebroken, bleek Irak te beschikken over een aanzienlijk

aantal massavernietigingswapens. In de rapportage van

UNMOVIC die door Hans Blix op 6 maart 2003 aan de VN

Veiligheidsraad werd gepresenteerd, waren er nog 128

openstaande vragen. Er waren dus 128 vragen die

Saddam Hoessein zonder moeite had kunnen beantwoorden,

als hij dat had gewild, wat hij stelselmatig naliet te

doen. In de brief van 4 september 2002 van de toenmalige

minister van Buitenlandse Zaken is daarbij gesteld

dat de bewijslast bij Saddam Hoessein lag. Hij moest

bewijzen dat hij geen massavernietigingswapens meer

had. In dit verband wil ik woorden aanhalen van zowel

voormalig minister van Defensie Kamp als voormalig

minister van Buitenlandse Zaken De Hoop Scheffer.

Op 26 juni 2003 zei minister Kamp hierover in deze

Kamer dat de Nederlandse regering destijds heeft gezegd

dat er geen duidelijkheid was over de massavernietigingswapens.

Saddam moest die geven en niet de

internationale gemeenschap. Omdat hij die niet gaf,

steunde de regering, aldus Kamp, de actie van de coalitie

tegen Irak. De Hoop Scheffer was op 12 februari 2003

nog duidelijker. Hij zei: ’’Wij mogen niet vergeten waar

de bewijslast ligt, als wij praten over ontwapening. Die

bewijslast ligt niet bij de inspecteurs, noch bij de

Veiligheidsraad, die bewijslast ligt bij Saddam Hoessein.’’

De regering heeft dan ook terecht haar politieke steun

aan de inval niet gebaseerd op de vermeende aanwezigheid

in Irak van massavernietigingswapens, maar op de

onwil van Saddam Hoessein om medewerking te

verlenen aan zijn eigen ontwapening respectievelijk om

het bewijs van ontwapening te leveren respectievelijk om

Veiligheidsraadresoluties na te leven. De regering heeft

deze argumentatie met de Kamer gedeeld en zij heeft die

argumentatie in meerderheid ook gesteund.

De heer Van Bommel vroeg wanneer nu precies

besloten is tot die politieke steun aan de Amerikaanse

inval maar, zoals ik nu zie, blijkbaar ook mevrouw

Halsema. Dat is besloten in een extra ministerraad op

18 maart 2003 en dat is op dezelfde dag per brief aan de

Kamer meegedeeld.

In deze context wil ik nog even ingaan op de juridische

basis voor het ingrijpen, omdat de vraag blijft opgeworpen

worden of daarvoor een nieuwe Veiligheidsraadresolutie

moest worden aangenomen of dat het geheel

aan bestaande resoluties, 678, 687, 1441, daarvoor

afdoende was. De toenmalige regering heeft openhartig

met de Kamer gedeeld dat een aanvullende resolutie

politiek wenselijk doch niet noodzakelijk werd geacht.

Wat gesuggereerd werd, namelijk dat over die politieke

en juridische legitimatie in het ministerie van Buitenlandse

Zaken verschillend werd gedacht, is feitelijk

onjuist.

Voorzitter. Mijn conclusie is dat op twee hoofdpunten,

te weten de grondslag voor de politieke steunverlening

en de juridische grondslag, het toenmalige kabinetsbeleid

volledig werd gesteund door een meerderheid van

de Kamer. Die is daarbij correct door de toenmalige

regering geïnformeerd en de regering heeft op alle

relevante punten ook verantwoording afgelegd. Ik ben

blij dat in dit debat ook dat standpunt bevestigd is door

verschillende woordvoerders.

De heer Pechtold (D66): Voorzitter. Zegt de minister van

Buitenlandse Zaken nu dat er geen internationaal

juridische twijfels bestonden over een inval in Irak en de

Nederlandse steun daarvoor?

Minister Verhagen: Als je twee juristen bij elkaar zet,

heb je drie verschillende opvattingen. Minimaal twee,

maar ik durf te zeggen vaak zelfs drie! Steeds is gesteld,

ook in de debatten met de Kamer, dat de inval legitiem

was aangezien de basis voor het zo nodig afdwingen van

de uitvoering van de resoluties met geweld in diezelfde

resolutie lag. Met andere woorden, het werd legitiem

geacht, ook al bestond daar bij sommigen misschien

Voorzitter

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3231

twijfel over. Ik kan zo met een jurist komen die zegt dat

het niet legitiem is, maar ik kan er ook met een komen

die zegt dat het wel legitiem is. De vorige regering heeft

in ieder geval geconcludeerd dat er sprake was van een

voldoende juridische legitimiteit en dat politieke

standpunt is gedeeld door een meerderheid van de

Kamer.

De heer Pechtold (D66): Omwille van de helderheid is

het dan wel verstandig om erop te wijzen dat er een

interne memo van uw ministerie bestaat waarin op twee

A4’tjes helder is uiteengezet dat die juridische steun niet

onomstreden is en zelfs wordt geadviseerd om niet in te

zetten op regime change, het omverwerpen van een

regime, maar in te zetten op die massavernietigingswapens.

In die notitie, met allemaal parafen, wordt dus

duidelijk beargumenteerd dat er wel degelijk twijfel is. Ik

heb zelf ook eens drie maanden de rechtenstudie

geprobeerd en ook ik vond dat er inderdaad zo veel

meningen mogelijk waren, maar als u nu zegt dat er ook

andere notities zijn en daaruit citeert, vind ik dat u ook

die eventuele andere juridische adviezen openbaar zou

moeten maken die op dat moment voor het regeringsbesluit

en daarna voor het advies aan de Kamer van

toepassing waren.

Minister Verhagen: Uiteraard is nagedacht op het

ministerie van Buitenlandse Zaken over de vraag of er

voldoende juridische basis was, maar ook tijdens de

brainstormsessies is duidelijk gesteld dat er sprake was

van een voldoende juridische basis. Tegelijkertijd is

natuurlijk ook geconstateerd dat er ook toen al juristen

waren die spraken over het begrip ’’niet onomstreden’’.

Er is echter geconcludeerd – ook tijdens die sessie – dat

er voldoende juridische basis was. Nederland heeft zich

in het verleden ook niet uitgesproken over de mogelijkheden

van ’’regime change’’. De discussie ging over de

vraag of er naar de mening van de regering voldoende

juridische basis was voor het afdwingen van de naleving

van die resolutie met gebruik van militair geweld.

Aangezien de resoluties opgesteld waren op basis van

hoofdstuk 7 met inbegrip van militaire middelen en in

resolutie 1441 zeer helder was aangegeven dat dit

’’serious consequences’’ zou hebben, is toen gesteld dat

er voldoende basis was. Die mening werd in het debat in

maart 2003 gedeeld door een meerderheid van de

Kamer.

De heer Pechtold (D66): Dit laatste biedt niet voldoende

basis voor een oorlog. Voordat ik de minister interrumpeerde,

zei hij dat er geen juridische belemmering was.

Nu zegt hij dat er voldoende basis was. Dit is een

omdraaiing van hetzelfde, maar die betekent wel dat er

twijfel is. Je kunt hierover twijfelen en de minister citeert

ook direct een aantal juristen en het probleem dat zij

signaleren. Waarom heeft het kabinet die twijfel niet met

de Kamer gedeeld toen die daar al haar pijlen op richtte,

gecombineerd met de andere punten van twijfel die ik al

noemde, de minister van Defensie, de Luxemburgers, en

noem maar op?

Minister Verhagen: Er bestond geen twijfel over de

vraag of er voldoende juridische basis was, ook niet op

Buitenlandse Zaken. Dat is het punt. De bestaande

resoluties van de Veiligheidsraad boden naar de mening

van Nederland een voldoende juridische basis voor

militair optreden.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Ik wil dit bestrijden.

Volgens mij zijn er geen verschillende memoranda van

verschillende groepjes juridische ambtenaren aan de

minister gestuurd, maar is er een memorandum met het

advies. Daarin staat dat de juridische basis niet onaanvechtbaar

is. Dit is belangrijk, omdat de minister altijd

juridische argumenten heeft gebruikt. Er is altijd gezegd:

er is voldoende juridische grond, maar de minister is

langs de ambtenaren gegaan die zeiden dat het wel

aanvechtbaar is.

Minister Verhagen: Dit is feitelijk onjuist, want de

ambtenaren hebben in alle brainstormsessies gezegd dat

het weliswaar niet onomstreden was, maar dat er naar

hun mening voldoende juridische basis was. Dat is het

feit. Dit staat ook in het memorandum.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Dit blijft toch een gek

verhaal. In het memorandum worden twijfels opgeworpen

over de juridische houdbaarheid van de resolutie als

middel om politieke steun te verlenen. Dit is het enige

wat de minister heeft, want de aanwezigheid van

massavernietigingswapens is niet zijn argument. Dan

zegt hij dus dat hij politieke steun gaat verlenen aan een

oorlog op basis van een aan te vechten, omstreden

juridische basis van de resolutie. Hoe kan hij dit

verantwoorden? Het zijn zijn eigen ambtenaren.

Minister Verhagen: Het zijn mijn ambtenaren niet. Ik

hecht eraan te onderstrepen dat er ook op het ministerie

van Buitenlandse Zaken is gesteld dat er voldoende

juridische basis is voor militair optreden op basis van de

resoluties van de Veiligheidsraad. Dit is ook niet zo gek,

want die resoluties werden aangenomen onder

hoofdstuk 7, zodat de naleving ervan zo nodig kon

worden afgedwongen met inbegrip van militaire

middelen. Dit was de rechtsbasis.

De discussie gaat nu over de vraag of dit onomstreden

is of niet. Maar ook daarvoor geldt wat ik eerder zei: als

ik twee juristen haal, krijg ik drie meningen. Naar de

mening van ook de ambtenaren, op basis van een

brainstormsessie, was er een voldoende juridische basis.

Daarna is daarover een debat gevoerd in dit huis, waarbij

zowel de regering als een Kamermeerderheid die

conclusie deelden. We kunnen het debat van 2003 hier

overdoen, maar ik denk dat we het debat van vandaag

moeten voeren.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Politieke steun geeft

nog geen juridisch gelijk; dat is al te gemakkelijk. Als u

zegt dat elke juristenmening over het begrip ’’omstreden’’

evenveel waard is als elke andere, geldt dat ook

voor ’’voldoende basis’’. Zo hangt uw hele redenering als

los zand aan elkaar. Het is immers ook mogelijk dat de

juristen die zeiden dat er onvoldoende basis was,

evenveel gelijk hadden als de juristen die zeiden dat er

voldoende basis was. U kunt zich niet achter de ene

jurist verschuilen en de andere jurist vertellen dat wat hij

zegt onzin is. Ofwel de juridische basis is correct, maar

dan is die ook onomstreden; of je kunt er zwaar aan

twijfelen en dan is deze omstreden. De basis is volgens

uw eigen ambtenaren omstreden en u weigert zich

daarvoor te verantwoorden.

Verhagen

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3232

Minister Verhagen: Het is feitelijk onjuist dat er sprake

zou zijn van twijfel van de zijde van de Nederlandse

regering in dezen. In de brainstormsessie en ook in het

memorandum is gesteld dat er naar de mening van

Nederland voldoende juridische rechtsbasis zou zijn voor

militair optreden op basis van de Veiligheidsraadresoluties.

Ik kan dat zes keer herhalen, maar dit zijn wel

de feiten.

De heer Van Bommel (SP): Voorzitter. De minister zegt

met zo veel woorden dat dit al vaststond op 9 augustus

2002. De juridische basis...

Minister Verhagen: De mogelijkheid van militair

optreden stond al vast toen de resoluties werden

aangenomen die de mogelijkheid van militair geweld in

zich hadden om naleving ervan af te dwingen. Anders

gaat het om een resolutie die de mogelijkheid niet biedt;

dan gaat het over andere sancties of drukmiddelen. Als

een Veiligheidsraadresolutie wordt aangenomen, waarin

staat dat het op basis van hoofdstuk 7 met inbegrip van

militaire middelen kan, is dat de juridische basis.

De heer Van Bommel (SP): Ik denk dat het VN-Handvest

en Hoofdstuk 7 bij de Kamer genoegzaam bekend is,

maar dank voor deze toelichting. Blijkens het document

is in de brainstormsessie van 9 augustus 2002 vastgesteld

dat de juridische basis voldoende was. Op

19 augustus 2002, tien dagen later, antwoordde de

minister van Buitenlandse Zaken op mijn schriftelijke

vragen. Mijn tweede vraag luidde: ’’Deelt u de opvatting

van de Franse president Chirac en de Duitse bondskanselier

Schröder dat een aanval alleen gerechtvaardigd zou

zijn als daartoe een mandaat is verleend door de

VN-Veiligheidsraad?’’. Die vraag wordt niet beantwoord

op basis van die voldoende juridische basis die tien

dagen eerder zou zijn vastgesteld. Nee, het antwoord is:

’’Ik acht het voorbarig in te gaan op de mogelijke

modaliteiten van een vooralsnog hypothetisch scenario.’’

Waarom werd toen niet gezegd wat u nu hier zegt?

Waarom werd op dat moment gewoon niet gezegd: ja,

wij denken dat er geen nieuwe resolutie nodig is, want

de juridische basis is voldoende. Dat werd kennelijk niet

voorbarig gevonden, want tien dagen daarvoor was daar

al over gesproken.

Minister Verhagen: Ik kom over die discussie nog te

spreken in het vervolg van mijn betoog. Ik wil wel

onderstrepen dat er tussen dingen die tot de mogelijkheden

behoren en een reeds genomen besluit wel een

verschil bestaat.

De heer Van Bommel (SP): Daar gaat mijn vraag

helemaal niet over!

Minister Verhagen: Ja, want u vraagt waarom ik geen

antwoord geef.

De heer Van Bommel (SP): Ik stelde de vraag of er een

juridische basis voor was.

Minister Verhagen: De juridische basis was er, omdat er

resoluties waren aangenomen met inbegrip van de

mogelijkheid van militair geweld. Verder hebben wij in

de Kamer steeds gesteld dat het niet noodzakelijk, maar

wel politiek wenselijk zou zijn om te streven naar een

andere resolutie. Dat is echter een heel ander verhaal.

De heer Van Bommel (SP): De regering heeft in

augustus 2002 niet aan de Kamer gemeld dat zij van

oordeel was dat er een voldoende juridische basis was

voor een inval in Irak.

Minister Verhagen: Dat is een ander verhaal. U vraagt of

er op dat moment een juridische basis was voor een

inval in Irak: bood een resolutie die zo nodig met geweld

kon worden afgedwongen een voldoende juridische

basis om deze met militair geweld af te dwingen indien

daartoe besloten zou worden? De inval in Irak was op dat

moment hypothetisch, om de doodeenvoudige reden dat

daartoe op dat moment nog geen besluit was genomen.

Er werd nog discussie gevoerd over de vraag hoe je op

andere wijze ervoor kon zorg dragen dat de inspecteurs

terugkeerden en over de vraag hoe op een andere wijze

zeker gesteld kon worden dat Saddam Hoessein

daadwerkelijk medewerking zou gaan geven aan de

uitvoering van de resoluties.

De heer Van Bommel (SP): Dit kan niet kloppen. U zegt

dat tien dagen van tevoren, op 9 augustus, voldoende

juridische basis is vastgesteld in de brainstormsessie.

Minister Verhagen: Er was voldoende basis voor militair

optreden om de resoluties uitgevoerd te krijgen, indien

dat niet op andere wijze mogelijk was. Volgens de

resolutie kon dit, omdat deze onder de werking van

hoofdstuk 7, met inbegrip van militaire middelen, was

aanvaard.

De heer Van Bommel (SP): Dit kan echt niet kloppen.

Het wordt vastgesteld in een brainstormsessie. De Kamer

vraagt ernaar. Dan kunt u toch niet tien dagen later

zeggen dat het voorbarig is om vast te stellen of er een

juridische basis is? Dat heeft u namelijk al vastgesteld; u

wilt het alleen niet aan de Kamer meedelen.

Minister Verhagen: Neen, want er is een verschil tussen

de constatering dat je kunt invallen of dat je de

theoretische mogelijkheid hebt om militair op te treden

om zo nodig de resolutie af te dwingen.

De voorzitter: Bij hoge uitzondering sta ik mevrouw

Halsema nog een interruptie toe over hetzelfde onderwerp.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Dank u wel, voorzitter,

dat u mij dit toestaat, want de minister moet nog een

punt voor mij verhelderen. De minister ontleent het

hebben van voldoende juridische basis steeds aan een

zinsnede uit resolutie 1441, waar sprake is van ’’serious

consequences’’.

Minister Verhagen: Ook eerdere resoluties dan 1441

waren met toepassing van hoofdstuk 7 aangenomen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Daarin werd niet

gesproken over ’’serious consequences’’. In augustus

2002 was resolutie 1441 nog niet aanvaard; dat gebeurde

pas op 8 november 2002. Hoe kunt u een juridische basis

ontlenen aan een resolutie die nog niet was aanvaard,

Verhagen

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3233

onder verwijzing achteraf naar serious consequences,

wat alleen staat in resolutie 1441?

Minister Verhagen: De resoluties die vóór resolutie 1441

waren aanvaard door de VN-Veiligheidsraad waren ook

aanvaard onder hoofdstuk 7, met inbegrip van de

mogelijkheid van militair geweld om de resoluties af te

dwingen. U kunt de resoluties nakijken; die middelen

staan er gewoon in. Onder meer omdat het streven van

Nederland erop gericht was de instructeurs te laten

terugkeren naar Irak, is er door de internationale

gemeenschap een laatste poging gedaan door middel

van resolutie 1441. Juist vanwege dat feit werd er in

augustus ook door ons niet per se uitgegaan van militair

optreden en van een inval. Wij streefden er juist naar om

op andere wijze Irak te dwingen tot het toelaten van

instructeurs en tot het meewerken aan de uitvoering van

eerder aanvaarde resoluties. Daarom is resolutie 1441 er

gekomen; als laatste middel om een en ander zeker te

stellen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): U gaat er nu aan

voorbij dat de Amerikanen en de Britten zich verschrikkelijk

ervoor hebben ingespannen om nog een resolutie

aanvaard te krijgen, die de weg naar oorlog kon effenen.

De aanvechtbaarheid van de resolutie als juridische basis

schuilt ook daarin dat deze als onvoldoende werd

beschouwd door de Verenigde Staten en Engeland.

Minister Verhagen: Voorzitter. Nadat wij 1441 behandeld

hebben, kunnen wij naar de volgende gaan. Zo krijgen

wij steeds weer nieuwe vragen. Ik werd geacht een

antwoord te geven op de vraag waarom dit standpunt

ingenomen was voorafgaande aan resolutie 1441.

De voorzitter: En dan vervolgt u nu uw betoog.

Minister Verhagen: Naar mijn stellige overtuiging

werpen de reportages van Argos en Reporter geen nieuw

licht op deze zaak. Laat ik vooropstellen dat ik het

uiteraard betreur dat vertrouwelijke en interne stukken

van het ministerie van Buitenlandse Zaken naar buiten

zijn gekomen. Op ministeries wordt nagedacht, gebrainstormd,

er worden opties verkend, alternatieve beleidskeuzes

doorgeredeneerd en dat is maar goed ook.

Zouden ambtenaren alleen nog mogen opschrijven wat

zij denken dat een bewindspersoon wil? Ik hoop dat u

het met mij eens bent dat dit onwenselijk zou zijn. Er

moeten verschillende beleidskeuzes, verschillende

gedachten, verschillende opties worden voorgelegd.

Als er selectief wordt geciteerd uit die interne

ambtelijke stukken over opties, als daarbij de indruk

wordt gewekt als zou de regering andere overwegingen

hebben gehad, dan wel gesuggereerd dat belangrijke

informatie verborgen is gehouden, dan vind ik dat

kwalijk. Dat geldt met name voor de berichten van de

permanente vertegenwoordiging te New York uit februari

2003 en het interne memorandum van 19 augustus 2002,

waaruit door Reporter werd geciteerd. In die stukken

worden juist verschillende scenario’s geschetst. Er

worden bouwstenen geïdentificeerd waaruit het

uiteindelijke Nederlandse beleid zou kunnen worden

opgebouwd. Ik zeg met nadruk ’’zou’’. Wie namelijk goed

kijkt naar de teksten die er staan, dan staat er steeds: zou

kunnen, indien Nederland wenst dat, enzovoorts. Het zijn

dus verschillende opties. Dat is dan toch geen keuze? Het

is geen vaststaand feit dat men daar al van uitgaat, het

zijn zou-opties. Als je niet meer over zou-opties mag

nadenken, dan zet je een stop op nadenken. Dat acht ik

het meest onwenselijke als je beleid wilt maken waarmee

je kunt ingaan op situaties die zich voordoen.

Het parlement is in al die fases intensief op de hoogte

gehouden van de beleidskeuzes, afwegingen en

redeneerlijnen die door de regering zijn gevolgd. Het

parlement dient natuurlijk inzicht te krijgen in de

argumenten die aan het beleid ten grondslag liggen dat

uiteindelijk vorm krijgt in de beslissingen van ministers

en het kabinet. Het gaat in de verhouding tussen kabinet

en Kamer immers om de politieke verantwoordelijkheid

voor de genomen beslissingen, en niet om opties die van

tevoren zijn overwogen.

Ambtenaren adviseren, verkennen opties, bespreken

mogelijke redeneerlijnen, ontwikkelen scenario’s, maar

het is wel de politiek, de regering die beslist en die het

aldus geformuleerde beleid vervolgens in brieven aan de

Kamer stuurt en naar buiten toe uitdraagt. De regering

kan dan ook worden afgerekend op het beleid. Op het

gevaar af, in herhaling te vallen: het beleid ten aanzien

van Irak kreeg de steun van de toenmalige Kamer.

De heer Pechtold (D66): Voorzitter. Zeker, natuurlijk. Als

je bestuurder bent, dan vraag je geregeld aan mensen –

of dat nu een jurist is of een ambtenaar – om iets voor je

te verkennen. Nu deze stukken echter openbaar zijn – uit

het feit dat elke week dit soort stukken naar buiten

komen, blijkt dat er kennelijk frustratie heerst bij de

nodige mensen – moet u toch ingaan op bijvoorbeeld het

feit dat die telex van die VN-ambassadeur weliswaar vier

scenario’s bevat, maar dat de uitkomst vier keer dezelfde

is: oorlog en steun daaraan. Het gaat dus niet om een

notitie die voor de Nederlandse regering of voor u als

minister de mogelijkheden verkent. Het zijn vier

scenario’s die alle vier naar een ding toe leiden: steun

aan de oorlog in Irak. Kunt u daarop ingaan?

Minister Verhagen: Daarin staan verschillende opties,

waarbij citerend wordt gezegd ’’Nederland zou de lijn

kunnen aanhouden, mocht het toch zo ver komen, dan

kan Nederland een keuze’’ (...) ’’wenst Nederland de zijde

van de VS en het Verenigd Koninkrijk te kiezen, dan ...’’.

Dit zijn dus allemaal opties. Het is dus niet al bij

voorbaat vaststaand dat dat gebeurt. Integendeel, het is

een advies, een lijn, waarin verschillende opties naar

voren worden gebracht. Nogmaals, de PV New York gaat

niet over het beleid. Dat is de regering.

De heer Pechtold (D66): Ik noem de vier scenario’s in

staccato: ’’1. levert het minst problemen op voor

geloofwaardigheid van militaire actie; 2. dit is een

redelijk veto, waarop militair ingrijpen zou moeten

stranden; 3. ook dan zullen ze ...’’ – de VS en het

Verenigd Koninkrijk – ’’... militaire actie doorzetten; 4. ook

in dit geval zullen VS en VK militaire actie tegen Irak

ondernemen’’. Dat is vier keer oorlog.

Minister Verhagen: Maar alle vier keer staat niet bij

voorbaat vast dat Nederland die lijn volgt. Nee,

Nederland zou de lijn kunnen aanhouden, indien

Nederland die lijn wenst en de Verenigde Staten en het

Verenigd Koninkrijk wenst te volgen. Mocht het zo ver

komen, dan zou Nederland die keuze kunnen maken. Dat

zijn dan toch allemaal opties die aan de orde zijn? Dat is

Verhagen

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3234

op dat moment dan toch niet een keuze van Nederland?

Integendeel, zelfs in deze redeneertrant wordt een aantal

opties voorgelegd, maar interne beleidsdocumenten die

naar buiten zijn gekomen, zijn voorbereidend. Wat

journalisten, wat Reporter en wat u hier ook van probeert

te maken, het is niet meer en niet minder. Ik kan mij wat

dit betreft geheel vinden in de lijn van het geachte lid

Van Baalen, die in dezelfde aflevering van het programma

Reporter heel duidelijk heeft gezegd dat hij te

maken heeft met wat de regering doet en niet met wat

de regering denkt. Wij hebben hier in dit debat te maken

met wat de regering heeft gedaan, niet met wat bepaalde

ambtenaren hebben voorbereid aan opties en hebben

uitgezet aan redeneerlijnen. Het gaat uiteindelijk om de

politieke keuzes. Die zijn hier heel helder gecommuniceerd.

Zij zijn hier verantwoord in de Kamer, gedeeld met

de Kamer en ook gesteund door de meerderheid van de

Kamer.

De heer Pechtold (D66): Dat is te gemakkelijk. De

minister kan niet zeggen: wij hebben die steun gehad

maar ondertussen jaar in, jaar uit volhouden – ik ben blij

dat de minister nu ook citeert en niet meer zegt dat de

citaten selectief zijn – ’’totdat wij de papieren in handen

hebben’’. Dit zijn vier scenario’s voor groente eten, maar

de scenario’s zijn spruitjes, spruitjes, spruitjes of

spruitjes, ofwel oorlog in Irak. Ik wil graag dat de

minister er serieus op ingaat wanneer een hoge

ambtenaar komt met deze adviezen waarom dat dan niet

in het besluitvormingsproces, maar vooral in het

verantwoordingsproces tegenover de Kamer niet

duidelijker is geweest. Daar was niets van deze twijfel te

merken. Vandaag merk ik voorzichtiger woorden, maar

toen niet.

Minister Verhagen: De suggestie als zou de keuze

vaststaan werp ik verre van mij. Ook toen stond de keuze

niet vast. U hebt te maken met keuzes die de regering

heeft gemaakt en waarvoor zij zich heeft te verantwoorden.

U hebt niet te maken met wat ambtenaren aan

mogelijke opties naar voren brengen. Ik blijf erbij dat met

name in het programma Reporter selectief is geciteerd

uit stukken, waardoor die uit hun context zijn gerukt, te

beginnen met het memorandum. De brainstormsessie

onder leiding van de toenmalig minister van Buitenlandse

Zaken De Hoop Scheffer – ik zat daar niet bij, dus

ik ga af op wat ik lees – wordt in het memorandum

aangehaald. Daar is aan ambtenaren gevraagd om een

Nederlandse positie te ontwikkelen voor een aankomend

overleg in EU-verband, teneinde daar de verschillende

opties op een rij te hebben. De voorgestelde positie was,

dat Nederland zich zou inzetten voor een oplossing op

basis van de relevante resolutie van de Veiligheidsraad.

In concreto ging het daarbij om de onvoorwaardelijke

terugkeer en toelating van de wapeninspecteurs. Dat was

de lijn van de regering op dat moment. Het was niet de

inzet om hoe dan ook oorlog te gaan voeren, zoals

mevrouw Halsema steeds wenst te suggereren. In alle

voorbereidende sessies en in het overleg binnen de

Europese Unie was de inzet er steeds op gericht dat de

terugkeer van de wapeninspecteurs voor de regering de

allerhoogste prioriteit had.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Ik acht het verwijt aan

de media dat zij selectief hebben geciteerd niet erg sterk.

Minister Verhagen: Dat is weer wat anders.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): De positie van de

regering zou er bij elk ander scenario dat men had

gebruikt, niet beter op zijn geworden. Als bijvoorbeeld

zou zijn geciteerd uit het eerste scenario, zou er hebben

gestaan: ’’het scenario levert het minste probleem op

voor de geloofwaardigheid van de Veiligheidsraad en de

militaire actie. Deze gang van zaken past in de Nederlandse

lijn.’’ Dat is interessant. De permanente vertegenwoordiger

reageert hiermee schijnbaar op een Nederlandse

lijn die hij al kende. Ik vraag de minister daarom

of de regering om dit advies heeft gevraagd en of het

een rol heeft gespeeld bij de besluitvorming van de

Nederlandse regering.

Minister Verhagen: In alle debatten met de Kamer heeft

de regering gesteld het, hoewel het niet absoluut

noodzakelijk was, politiek wenselijk te achten dat er nog

een resolutie van de Veiligheidsraad zou komen. Dat was

de Nederlandse lijn. Ik vind het dan niet gek dat de

permanente vertegenwoordiger van Nederland bij de

Veiligheidsraad in New York, wanneer hij zich uitlaat over

de mogelijkheid dat een dergelijke resolutie zal worden

aanvaard, zegt dat hij dit vindt passen binnen de

Nederlandse lijn. Het zou vreemd zijn wanneer hij dat

niet zou vinden. De regering heeft steeds gesteld het

politiek wenselijk te achten dat er nog een resolutie zou

worden aangenomen. Wij vonden dat niet noodzakelijk,

maar wel wenselijk.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Dat is niet wat er staat.

Minister Verhagen: Het is wel wat er staat. Laten wij

elkaar één keer serieus nemen. Als een vertegenwoordiger

van Nederland bij de Veiligheidsraad stelt dat

Nederland de lijn zou kunnen aanhouden, is dat geen

Nederlandse positie maar een suggestie. Het is een

optie. Mevrouw Halsema kan wel voortdurend proberen

te doen alsof het hoe dan ook vaststond dat Nederland

vond dat op dat moment moest worden binnengevallen

in Irak, maar dat is feitelijk onjuist. Wij hebben wel

gesteld het noodzakelijk te achten dat de resoluties van

de Veiligheidsraad worden uitgevoerd. De regering heeft

dat steeds uitgedragen. In maart hebben wij daaraan

politieke consequenties verbonden. De Tweede Kamer

heeft de regering daarin gesteund.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Ik heb de minister

steeds serieus genomen. Ik veronderstel dat dit ook

omgekeerd het geval was. Ik wil de minister best geloven

wanneer hij zegt dat pas na de resoluties beslissingen

zijn genomen, maar hij kan mij niet verklaren hoe een

permanente vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties

al veel eerder schijnt te weten wat de Nederlandse lijn is.

Hij zegt immers al een half jaar eerder: ’’het levert de

minste problemen op voor een militaire actie. Dit past in

de Nederlandse lijn.’’ De permanente vertegenwoordiger

ging er dus al een half jaar eerder van uit dat het de

Nederlandse lijn was dat militaire actie moest worden

ondernomen. Ik stel vast dat de minister daartegen geen

verweer heeft.

Minister Verhagen: Om te beginnen is het helemaal

geen half jaar eerder. Deze uitspraak werd gedaan in de

laatste fase – eind februari, begin maart – toen de

Verhagen

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3235

discussie werd gevoerd over de vraag of na resolutie

1441 van de Veiligheidsraad nog een andere resolutie

zou moeten volgen. Aangezien de regering op dat

moment al in de Tweede Kamer had uitgesproken het

politieke wenselijk te achten wanneer nog een tweede

resolutie zou worden aangenomen, was het niet meer

dan logisch dat de permanente vertegenwoordiger zei

dat het aannemen van een nieuwe resolutie in de

Nederlandse lijn zou passen. Het is absoluut niet juist dat

al bij voorbaat vaststond dat de keuze zou worden

gemaakt om militair in te vallen of om een inval te

steunen. Het besluit daartoe is op 18 maart genomen. In

de hele periode ervoor – ik heb het daarbij over de

periode van augustus tot en met het tijdstip waarop

resolutie 1441 werd aangenomen – was de terugkeer van

de inspecteurs de eerste prioriteit van de Nederlandse

regering. Hierbij was voor de afdwinging van het naleven

van de resolutie, en uitgaande van de bestaande

resoluties, de mogelijkheid van militair optreden niet

uitgesloten. Die mogelijkheid was echter wel hypothetisch,

omdat zij nog niet aan de orde was. Zelfs de

Verenigde Staten hadden immers op dat moment nog

geen besluit tot militair optreden genomen. Dit is het

antwoord op de vragen over het woord ’’hypothetisch’’.

Toen er nog geen besluit over militair optreden was

genomen en zelfs de Verenigde Staten dat nog niet

hadden gedaan, was militair optreden een hypothetische

mogelijkheid, theoretisch mogelijk op basis van de

resoluties. Daarover was echter toen dus absoluut nog

geen besluit genomen.

Mevrouw Van Gennip (CDA): De minister heeft zojuist

klip en klaar duidelijk gemaakt dat een departement geen

knip voor de neus waard is als daar niet wordt gediscussieerd

en wordt nagedacht over de toekomst, en als daar

niet verschillende scenario’s worden uitgewerkt. Wat

daar uitkomt, wordt uiteraard ook gedeeld met de

politieke top. Toch is het wellicht goed als de minister

even bevestigt dat uiteindelijk de besluitvorming een

politieke is, die plaatsvindt in het kabinet en hier in de

Tweede Kamer. Daar komen wij tot een politieke

besluitvorming, ongeacht wat de ambtelijke adviezen

zijn. Natuurlijk wordt er naar deze adviezen geluisterd,

maar uiteindelijk vindt de politieke besluitvorming in de

Kamer plaats. Kan de minister dit nog even bevestigen?

Minister Verhagen: Ik ben het hartgrondig eens met de

geachte afgevaardigde Van Gennip. Het gaat immers in

het verkeer tussen Kamer en regering om politieke

besluiten die op basis van standpunten van de regering

tot stand zijn gekomen. Voor die standpunten moet de

regering in de Kamer verantwoording afleggen en zij

moet daarvoor een meerderheid zien te verwerven.

Mevrouw Van Gennip (CDA): Precies. Op basis van de

politieke keuze en pas nadat er een meerderheid is

gevonden in de Tweede Kamer, wordt de Nederlandse

lijn uitgedragen door bijvoorbeeld een vertegenwoordiger

bij de Verenigde Naties of door een andere vertegenwoordiger.

Hij doet dit op basis van de besluitvorming

hier in het parlement. Dit betekent dat zo’n vertegenwoordiger

te allen tijde intern mag berichten wat hij

vindt van een of ander scenario, maar dat naar buiten

toe deze vertegenwoordiger de lijn uitdraagt die in de

Tweede Kamer is afgesproken, en geen andere. Is de

minister het daarmee eens?

Minister Verhagen: De keuze die het kabinet maakt, is

bepalend voor de lijn die uiteindelijk de vertegenwoordiger

uitdraagt namens de regering, ook bij extern

optreden in de Verenigde Naties.

Ik ben dus van mening dat het zorgvuldig is dat de

regering intern verschillende scenario’s beziet en dat ze

een beoordeling maakt van mogelijke opties in het geval

een van de scenario’s werkelijkheid wordt. Zolang een

scenario zich echter niet ontwikkelt tot werkelijkheid, is

het hypothetisch. Ik vind dat de toenmalige minister van

Buitenlandse Zaken de Kamer volkomen terecht

geantwoord heeft dat het voorbarig zou zijn als de

regering over één scenario zou gaan communiceren. Dit

temeer omdat er op dat moment nog geen enkel besluit

was.

De heer Van Dam (PvdA): Dat er op 25 februari 2003

hoofdzakelijk, of zelfs alleen maar scenario’s werden

uitgewerkt die op oorlog uitkwamen, mag eigenlijk

niemand verbazen omdat de hele wereld daar op dat

moment van uitging. Het heeft mij wel verbaasd – iets

wat mijn fractie de afgelopen jaren vaker heeft geuit –

dat ook hieruit weer blijkt dat alle scenario’s uitkwamen

op Nederlandse steun aan de Amerikanen. Is er ook een

memo gemaakt waarin een ander scenario is besproken,

namelijk het niet steunen van de Amerikanen? Ik begrijp

goed dat de regering pas op 18 maart het definitieve

besluit heeft genomen om de Amerikanen te steunen,

maar het lijkt er toch eigenlijk al tijden sterk op dat er

altijd in beginsel bereidheid was om de Amerikanen te

steunen.

Minister Verhagen: De vraag of er uiteindelijk politieke

steun gegeven werd aan het militaire optreden in Irak

van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, is

beantwoord op 18 maart. Daarbij liggen verschillende

opties en mogelijkheden voor: steun geven, geen steun

geven, deelnemen, niet deelnemen, of politieke steun

geven. Het kabinet is destijds tot de conclusie gekomen

dat het politieke steun wilde geven, maar dat is hier op

18 maart gewisseld. De redengeving is in de brief van

18 maart aangegeven. Op het moment dat je voor het

een kiest, is ook duidelijk dat er andere keuzemogelijkheden

zijn. De meerderheid van de Kamer

steunde de keuze van de regering, maar een ander deel

kwam tot een andere keuze. Dat is altijd mogelijk.

De heer Van Dam (PvdA): Ik neem aan dat de minister

begrijpt wat mijn collega’s hebben gezegd, namelijk dat

het memo de indruk wekt dat Nederland, ongeacht de

uitkomsten van het proces in de Veiligheidsraad, steun

wilde verlenen aan de Amerikanen. Dat past ook in het

licht van wat in de maanden daaraan voorafgaand

plaatsvond. Toen heeft de Nederlandse regering steeds

gezegd dat, ongeacht of er een nieuwe resolutie zou

komen, er in haar ogen een mandaat lag voor het

gebruik van geweld en dat er in haar ogen een aanval

kon worden uitgevoerd. Dat past toch ook in de lijn? Dat

begrijpt de minister toch wel?

Minister Verhagen: Hier zijn van te voren twee zaken

gewisseld. Dat is ook aan de Kamer gemeld. De

resoluties, inclusief resolutie 1441, konden zo nodig met

militair geweld worden afgedwongen. Voorts zou

Nederland zichzelf een oordeel aanmatigen over de

vraag of er sprake was van een material breach, of te wel

Verhagen

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3236

het niet voldoen aan de naleving van de resolutie. Het

kabinet heeft wat dat betreft een eigenstandige afweging

gemaakt. Dat is ook gewisseld in het debat in maart.

Dan kom ik op de discussie naar aanleiding van de

uitzending van Reporter over het memorandum en over

hoe de e-mails van 13 maart zich verhouden tot de

gegeven antwoorden. In de brief van 2 april jongstleden

zijn wij daar uitvoerig op ingegaan. Wij zijn wel degelijk

ingegaan op wat in het interne memorandum staat en op

wat is geantwoord op vragen van de Tweede Kamer. In

de eerste alinea onder het kopje over Reporter en Argos

wordt gesteld: ’’Om op mogelijke ontwikkelingen

voorbereid te zijn, komen in deze stukken diverse

scenario’s aan de orde. Voor zover een en ander heeft

geleid tot beleidskeuzes is dat iedere keer weer

vastgelegd in de diverse brieven aan uw Kamer.’’ Daarna

staan die brieven opgesomd. Vervolgens is in de brief

van 2 april ingegaan op de materie als zodanig. Ik kan

niet genoeg onderstrepen dat de regering verantwoording

aflegt over beleidskeuzen die worden gemaakt,

maar niet over het interne proces dat aan die beleidskeuzen

ten grondslag ligt. De regering heeft dat destijds

gedaan per brief van 18 maart. Daarin staat: ’’Dat

moment is nu aangebroken. Bij de beoordeling van de

mate waarin Irak zijn verplichtingen om te ontwapenen

nakomt, moet rekening worden gehouden met het

gegeven dat het hier gaat om een regime dat nu al 12

jaar kans ziet zich te onttrekken aan uitspraken van de

Veiligheidsraad. Duidelijk is dat zonder grote militaire

druk besluiten van de Veiligheidsraad op hem geen

enkele indruk maken.’’ Dat was de tekst van 18 maart.

Voor de keuze die toen is gemaakt, is hier verantwoording

afgelegd.

Er is gevraagd in hoeverre sprake was van een verzoek

van de Amerikaanse regering over het beschikbaar

stellen van militaire middelen en in hoeverre de Kamer

daarover voldoende en juist is geïnformeerd. In de brief

ter voorbereiding van dit debat is daar uitgebreid op

ingegaan. Ik benadruk dat sprake is van een verschil als

ik kijk naar de brief waar iedereen uit heeft geciteerd.

Deze valt uiteen in twee delen. In het eerste deel wordt

heel duidelijk gesproken over ’’We request that your

government assists or participates ...’’. Dat richt zich op

de Patriots, op het overvliegen. De Kamer is daarover

geïnformeerd en heeft daar ook mee ingestemd, inclusief

het op verzoek van Turkije leveren van Patriots ter

bescherming. Daarnaast is er een hele lijst waaruit met

veel genoegen door sommigen wordt geciteerd. Dat is

ook in de uitzending van Reporter gebeurd. Daar staat

echter heel duidelijk bij: ’’in addition’’ – dus op het

verzoek – ’’we would like to discuss with you what types

of capabilities ...’’. Dat de VS hierover in contact wilden

blijven met de toenmalige Nederlandse regering is de

Kamer ook in december gemeld. Behalve het verzoek

waarover de Kamer is geïnformeerd en waarmee zij heeft

ingestemd, wilden de VS over andere middelen contact

met Nederland houden. Dat is ook in de brief gemeld.

Zouden die contacten geresulteerd hebben in een besluit

tot een Nederlandse militaire bijdrage, dan was de

Kamer daarvan op de hoogte gesteld. Maar daar hebben

die contacten niet toe geleid. Vandaar dat het bij een

discussie is gebleven en niet tot een nader verzoek is

gekomen.

De heer Van Bommel (SP): De minister vertaalt de

zinsnede ’’we would like to discuss with you’’ wel heel

wonderlijk. Hij heeft het over in contact blijven, maar dat

betekent die zin niet. De Amerikanen geven aan dat zij dit

met Nederland willen bespreken. Ik neem aan dat de

regering daar dan op heeft gereageerd. Dit wordt eerst

intern besproken en vervolgens wordt de Amerikanen

meegedeeld wat het antwoord van de Nederlandse

regering is.

Minister Verhagen: Het antwoord richtte zich op het

verzoek, dus op de Patriots, het overvliegen en de

doorvoermogelijkheden. Dat is de Kamer ook gemeld en

daar heeft zij mee ingestemd. Daar is niets geheimzinnigs

aan. In een van die debatten heeft de heer Van

Bommel gevraagd of het verzoek zich ook uitstrekte tot

Patriots. Uit de stukken blijkt heel duidelijk dat de Kamer

daarmee heeft ingestemd.

De heer Van Bommel (SP): Dat is mij bekend en daar

richt mijn vraag zich ook niet op. Is het tweede deel van

de brief in het kabinet besproken? Is daar besloten dat

dit niet geleverd wordt? Is dat besluit meegedeeld aan de

Amerikanen? Is dat antwoord op schrift gesteld en kan

de Kamer dat krijgen?

Minister Verhagen: Er is een besluit genomen over de

beschikbaarheid van Patriots in relatie tot Turkije, over

het overvliegen en over het doorgeleiden. Het overige is

niet aan de orde gekomen, omdat het verzoek zich daar

niet op richtte. Daar is geen besluit over genomen. Ik kan

er niet meer van maken.

De heer Van Bommel (SP): Nederland krijgt een brief

waarin ook een onderdeel staat over offensieve wapens,

maar daar wordt in het kabinet kennelijk helemaal niet

over gesproken. Er wordt alleen iets gezegd over het

verzoek dat wordt gehonoreerd. Het kabinet is bijeen en

de leden hebben de brief voor zich. U doet net alsof het

tweede deel van die brief niet heeft bestaan.

Minister Verhagen: Er is gesproken over het verzoek.

Dat verzoek richtte zich op de elementen waar ik het over

gehad heb. Daar is een besluit over genomen en

daarover is de Kamer geïnformeerd. Er is ook aan de

Kamer gemeld dat de Amerikanen over andere mogelijkheden

met Nederland in gesprek wilden blijven. Als die

contacten geresulteerd zouden hebben in een besluit tot

een extra militaire bijdrage van Nederland, was de

Kamer daarover geïnformeerd. Maar er is geen besluit

op dat punt geweest. Ik kan er niet meer van maken.

De voorzitter: Hoeveel blokjes resteren er nog in uw

betoog?

Minister Verhagen: Ik denk dat ik meer dan genoeg over

de uitzending van Reporter heb gezegd. Ik ga nu over

naar de situatie in Irak op dit moment.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): De minister heeft net

antwoord gegeven op vragen over het al dan niet

verlenen van militaire steun tijdens de inval. De vraag is

ook of er militaire steun is gegeven bij de voorbereiding

op de inval. Ik herinner mij levendig de beelden van

staatssecretaris Van der Knaap bij RTL 4, staand op de

Walrusonderzeeër. Hij legde tijdens die uitzending uit dat

de reden voor de aanwezigheid van de onderzeeër in dat

gebied, de toegangsweg tot Irak, was dat de Amerikanen

Verhagen

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3237

zo goed mogelijk op de hoogte wilden zijn van alle

activiteiten in Irak. Dat was november 2002.

Minister Verhagen: De minister van Defensie zal hier

verder op ingaan.

De heer Pechtold (D66): Ik heb nog een vraag over het

wensenlijstje van de Amerikanen dat tot en met de

zwemvesten nauwkeurig was opgesteld. Het ging om

hele lijsten van dingen die men met ons wilde bediscussiëren.

Kunt u nu echt staande houden dat de Amerikanen

op papier een dergelijk verzoek zouden indienen als

zij niet enigszins het gevoel hadden dat hun verzoek ook

zou worden ingewilligd? Ik zie de premier lachen. Hij en

ik hebben jonge kinderen. Daar denkt hij waarschijnlijk

aan. Een van mijn kinderen is binnenkort jarig en hij

heeft een hele lijst gegeven met wat hij allemaal zou

willen hebben. Maar ja, hij weet dat hij niet alles zal

krijgen. Nu gaat het over de Amerikanen. Zouden die nu

serieus zo’n lijst indienen, met zoiets als special forces,

wat gewoon moordmachines zijn, als het iets vrijblijvends

is?

Minister Verhagen: Ik maak wel bezwaar tegen de term

moordmachines in relatie tot special forces.

De heer Pechtold (D66): Ik neem het terug. Ik bedoelde

dat het moordmachines kunnen zijn.

Minister Verhagen: Het verzoek van de Verenigde Staten

richtte zich op de elementen waar ik over gesproken heb.

Ik heb gezegd dat men nader in contact wilde blijven

over andere mogelijke bijdragen. Dat is de Kamer ook

gemeld. Daarover heeft het kabinet geen besluit

genomen. Als het kabinet het besluit genomen zou

hebben om een extra militaire bijdrage te leveren, zou

dat aan de Kamer zijn gemeld. Dit is niet het geval

geweest.

Voorzitter. Ik kom op het Irak van vandaag. Tijdens het

algemene overleg over de NAVO-trainingsmissie van

15 februari jongstleden is voor het laatst met de Kamer

van gedachten gewisseld over de actuele situatie in Irak.

Zoals reeds genoemd in de brief die de Kamer recent is

toegestuurd, hebben sedertdien een aantal relevante

ontwikkelingen plaatsgevonden. De veiligheidssituatie

blijft zeer zorgelijk. Het is dan ook te vroeg om conclusies

te trekken over het recent ingezette veiligheidsplan

van de Irakese en de Amerikaanse regering. Wij zien wel

dat in Bagdad het sektarische geweld enigszins is

afgenomen. Dat geldt echter zeker niet voor het geweld

in de rest van Irak. Met name aanslagen met bomauto’s

blijven veel burgerslachtoffers maken. Zoals tijdens het

vragenuurtje van 19 maart aan de orde is gekomen,

steunt Nederland de overdracht van verantwoordelijkheden

op het veiligheidsbeleid aan de Irakese regering. Hoe

eerder Irak zelf aangeeft het zonder hulp van buitenaf te

kunnen stellen, hoe beter. Of dit echter binnen een jaar

gerealiseerd zal zijn, is moeilijk aan te geven. Laten wij

niet vergeten dat de Irakese regering hecht aan de

aanwezigheid van buitenlandse troepen in Irak. Laten wij

ook niet vergeten dat de huidige aanwezigheid is

gebaseerd op resoluties van de Veiligheidsraad.

Een buitengewoon relevante – en ik hoop positieve –

ontwikkeling is de regionale conferentie die op 10 maart

in Bagdad plaatsvond. Hieraan namen zowel de

permanente leden van de Veiligheidsraad als Syrië en

Iran deel. Het feit dat een dergelijke conferentie

plaatsvond met zowel de Verenigde Staten als Iran aan

tafel is een belangrijke eerste stap. Op hetzelfde niveau is

een ministeriële conferentie in voorbereiding, maar de

datum, plaats en precieze deelnemers zijn nu nog

onbekend. De Irakese regering heeft hier terecht het

voortouw.

Nederland steunt de Iraakse regering bij de opbouw

van een democratisch en welvarend Irak. Dat blijft

uitgangspunt van ons beleid. Wij doen dat via de

NAVO-trainingsmissie, via het JUSTLEX-programma van

de EU en bilateraal via de training van Iraakse diplomaten.

De huidige problemen in Irak kunnen niet alleen met

militaire middelen worden opgelost. Vooruitgang in het

politieke proces blijft van essentieel belang. De Iraakse

regering en samenleving dienen zich dan ook onverminderd

in te spannen om nationale verzoening te bewerkstelligen,

onder andere door het aanpakken van milities

en door overeenstemming te bereiken over de verdeling

van olie-inkomsten en over de verdere uitwerking van de

federatieve structuur, inclusief de status van Kirkuk.

De heer Voordewind heeft gevraagd naar de vooruitgang

in dat proces van nationale voorziening. Ik heb de

elementen net genoemd. Het is op zichzelf nieuw dat de

Iraakse regering recentelijk een nieuwe oliewet heeft

voorgelegd aan het Iraakse parlement. Dat is een positief

signaal. Maar er dient nog nadere overeenstemming te

worden bereikt over de verdeling van de olie-inkomsten.

Vooral dat zal een belangrijk onderdeel moeten vormen

van die wet. Ook heeft de Iraakse regering een gedeeltelijke

herziening van het proces in voorbereiding. Een

gedeeltelijke herziening is van belang om de soennieten

beter te betrekken bij de opbouw van het land. Vooralsnog

is de vooruitgang nog onvoldoende, maar ik hoop

dat de regionale conferentie op dit punt aanknopingspunten

kan bieden.

De heer Voordewind (ChristenUnie): In het Hamilton-

Baker-initiatief worden wat voorwaarden opgesomd voor

Syrië en Iran, vooral voor de medewerking van Syrië aan

het onderzoek van president Hariri. Spelen die voorwaarden

nog een rol of zijn die terzijde geschoven?

Minister Verhagen: Het initiatief voor de regionale

conferentie komt van de Iraakse regering. Die regering

probeert Syrië en Iran hierbij te betrekken. Dat is

noodzakelijk. Dat de Verenigde Staten hieraan hebben

deelgenomen, is hoopvol. Niet de voorstellen van Baker

en Hamilton, maar de voorstellen van de Iraakse regering

zijn daarbij leidend. De eisen die wij in het algemeen

stellen aan de medewerking van Syrië aan het Hariritribunaal

zijn niet gekoppeld aan die conferentie. Een van

de conclusies van de EU tijdens de laatste top was dat

de druk op Syrië moet worden opgevoerd om ervoor te

zorgen dat Syrië meewerkt aan het Hariri-tribunaal. Mijn

voorganger heeft dat ook duidelijk gemaakt. De heer

Solana doet dat in zijn contacten met Syrië. Met Iran

hebben wij een heel andere discussie te voeren in relatie

tot de Veiligheidsraadresoluties en de gevangenneming

van de vijftien Britten. Ik zou dit proces van de regionale

conferentie daarmee niet willen belasten. Dat mag geen

excuus zijn om af te zien van de noodzakelijke vooruitgang

op de andere dossiers.

Verschillende sprekers hebben stilgestaan bij de

humanitaire situatie en vooral bij de grote aantallen

vluchtelingen naar buurlanden als Syrië en Jordanië. Dat

Verhagen

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3238

blijft zorgelijk. Collega Koenders en ik hebben de Kamer

op 22 maart jongstleden geïnformeerd over de humanitaire

situatie in antwoord op vragen van het lid Van

Bommel. De schatting van het aantal ontheemden in Irak

loopt op tot ruim anderhalf miljoen. Volgens de UNHCR

bevinden zich rond 1,8 miljoen Iraakse vluchtelingen in

Syrië en Jordanië. Jordanië en Syrië zijn geen partij bij

het VN-vluchtelingenverdrag van 1951. In dat opzicht

hebben zij dus geen juridische verplichtingen tegenover

de Iraakse staatsburgers die hun land zijn ontvlucht. In

de praktijk vangen deze landen evenwel al jarenlang

grote aantallen vluchtelingen op. De meerderheid van

deze vluchtelingen heeft echter geen vrije toegang tot

voorzieningen. Voor de internationale hulpverlening is

zowel erkenning van die vluchtelingen als onbelemmerde

toegang van humanitaire organisaties van groot belang.

Nederland volgt de ontwikkelingen op dit terrein

nauwgezet. Ik heb er zelf en marge van de bijeenkomst

van de Mensenrechtenraad in Genève bij mijn Jordaanse

collega op aangedrongen dat het mogelijk is dat

humanitaire organisaties er hun werk kunnen doen.

Nederland neemt op dit moment nog individuele

voordrachten voor hervestiging van de UNHCR in

overweging. Het huidige hervestigingsbeleid is vastgesteld

voor de periode 2005-2007. Dan wordt het beleid

geëvalueerd. De staatssecretaris van Justitie zal uw

Kamer hierover jaarlijks informeren. Daarnaast willen wij

en dat doet Nederland natuurlijk allang – bijdragen aan

leniging van humanitaire noden in die regio. UNHCR

ontvangt speciaal voor de opvang van Iraakse vluchtelingen

in Syrië en Jordanië ook van ons financiële

ondersteuning. Ook projecten van het Nederlandse Rode

Kruis en het IOM lopen op dit punt door tot eind 2007.

Nederland zal mede op basis van nadere onderzoeken

naar de behoefte, beoordelen of aanvullende humanitaire

bijdragen nodig zijn en hoe de meest kwetsbaren kunnen

worden bereikt. Ook andere donoren bekijken momenteel

hoe de situatie zich verder ontwikkelt en hoe gericht een

bijdrage kan worden gegeven. Dat gaat ook door middel

van de extra toezeggingen van de Europese Commissie

via ECHO, het noodhulpbureau van de EU. Hoe het geld

precies zal worden ingezet, wordt nog nader uitgewerkt

met UNHCR, met OCHA, het noodhulpbureau van de

Verenigde Naties, en ngo’s. Er is op dit moment geen

sprake van een acuut financieel probleem, want voor het

lopende programma van UNHCR zijn internationaal

voldoende bijdragen toegezegd, maar vanwege de

onveiligheid en beperkte mogelijkheden voor monitoring

blijft het voor bijna alle hulporganisaties zeer moeilijk om

in Irak op verantwoorde wijze humanitaire hulp te

verlenen. Voor de hulpverlening in de omringende

landen is dus zowel erkenning van die vluchtelingen als

onbelemmerde toegang van humanitaire organisaties

van belang. Wij zullen ons daarvoor blijven inzetten. Op

16 en 17 april aanstaande zal in Genève een door de

UNHCR georganiseerde internationale conferentie

plaatsvinden waarbij Nederland vertegenwoordigd zal

zijn, zoals ik al eerder heb gemeld in het antwoord op de

schriftelijke vragen van de heer Van Bommel. Ik hoop dat

de bevolking van Irak geleidelijk aan meer perspectief

krijgt op meer stabiliteit, veiligheid en ontwikkeling.

Over Iran hebben wij recentelijk in de Kamer gesproken.

Daarbij heb ik duidelijk gesteld dat er naar mijn

mening een tweesporenbeleid moet worden gevoerd

richting Iran. Enerzijds houdt dat in de dialoog, het

aanspreken op, het voeren van gesprekken met, het

ondersteunen van de vrije media, ook op basis van de

door Van Baalen en Karimi geïnitieerde budgetsteun

daarvoor. Anderzijds staan wij, ook vanwege de

rapportage van ElBaradei, volledig achter het aanscherpen

van de sancties, zoals in de laatste Veiligheidsraadresolutie

is verwoord. Die resolutie is een resolutie in het

kader van artikel 41, hoofdstuk 7. Dat betekent dat er

strafmaatregelen in de vorm van economische sancties

in het vooruitzicht worden gesteld, maar dat gebruik van

geweld wordt uitgesloten. Militair optreden is derhalve

op dit moment niet aan de orde, zelfs niet hypothetisch.

De heer Van Dam (PvdA): Voorzitter. Daar zegt de

minister nogal wat. Ik geloof dat er her en der helaas ook

andere inschattingen van de situatie daar te horen zijn. Ik

begrijp heel goed dat de huidige resolutie op geen

enkele manier een mandaat biedt voor militaire actie,

maar is de minister het ermee eens dat in deze situatie,

ook zonder een expliciet VN-mandaat, het conflict niet

kan eindigen met militaire actie zonder dat mandaat?

Minister Verhagen: Er is een resolutie van de Veiligheidsraad

die het gebruik van militaire middelen uitsluit.

Die resolutie is helder. Natuurlijk kunnen er op basis van

het handvest van de Veiligheidsraad andere resoluties

worden aangenomen. Als de internationale gemeenschap

tot andere conclusies komt, ontstaat er een andere

situatie. Op dit moment houdt de uitspraak van de

Veiligheidsraad in dat de druk op Iran door middel van

economische sancties moet worden opgevoerd om te

bewerkstelligen dat het medewerking verleent aan de

eerder aangenomen resoluties.

De heer Van Dam (PvdA): Dit betekent dus ook dat de

Nederlandse regering van mening is dat er buiten de

Veiligheidsraad om geen sprake zou kunnen zijn van een

preventieve aanval op Iran dan wel van een luchtaanval

op de betreffende installaties?

Minister Verhagen: De Veiligheidsraadsresoluties

waarover wij aan het begin van dit debat hebben

gesproken, vormden naar mijn mening een voldoende

juridische basis voor militair optreden. De juridische

basis van deze resolutie is dat er sancties kunnen

worden getroffen, maar niet militair.

De heer Van Dam (PvdA): Dit is geen antwoord op mijn

vraag. Ik begrijp heel goed wat er in de resolutie staat,

maar mijn vraag was of de minister het met mij eens is

dat er in deze situatie geen sprake kan zijn van militaire

actie buiten de Veiligheidsraad om.

Minister Verhagen: In het regeerakkoord is opgenomen

dat voor de inzet van Nederlandse militairen een

adequaat volkenrechtelijk mandaat noodzakelijk is. Het

mandaat dat hier is verstrekt, heeft betrekking op

sancties. Los van de vraag over de Nederlandse positie,

stel ik vast dat de juridische basis voor een optreden

tegen Iran alleen niet-militaire sancties op andere

gebieden toelaat.

De heer Van Dam (PvdA): Voor alle helderheid, het gaat

mij natuurlijk niet om de inzet van Nederlandse

militairen. Ik stel vast dat de Nederlandse regering zich

op het standpunt stelt dat er geen sprake kan zijn van

acties buiten het VN-mandaat om.

Verhagen

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3239

Minister Verhagen: Ik kan niet meer of minder doen dan

herhalen dat de resolutie van de Veiligheidsraad over

Iran die op dit moment rechtsgeldig is, niet de mogelijkheid

biedt om de naleving ervan met militaire middelen

af te dwingen. Zo simpel is het.

De heer Wilders (PVV): Ik heb de minister die vraag over

Iran gesteld tijdens het debat dat wij vorige week hebben

gevoerd over de Razeb. Hij gaf toen een iets ander

antwoord. Hij zei toen weliswaar dat hij niet wilde

filosoferen over de toekomst, maar op mijn vraag of hij

kon uitsluiten dat een militair optreden tegen Iran in de

toekomst helaas nodig kan zijn – niemand hoopt dit, ik

ook niet, maar ik sluit het niet uit – antwoordde hij dat hij

dit niet zo maar van tafel veegt. De minister zei wat hij

nu zegt: daar is op dit moment geen sprake van, er is

geen grondslag voor geweld op basis van de huidige

resolutie, maar hij heeft niet uitgesloten dat dit in de

toekomst anders kan worden. Ik zou graag zien dat hij dit

nu ook niet doet, want mijn fractie is van mening dat het

nodig kan zijn om op te treden tegen Iran, ook militair,

met of zonder VN-resolutie, maar bij voorkeur natuurlijk

met.

Minister Verhagen: De vraag was niet of ik uitsluit dat er

in de toekomst resoluties over welk land dan ook worden

aanvaard die ook de mogelijkheid van militair ingrijpen

in zich hebben. Dit sluit ik niet uit, want dat kun je niet

uitsluiten. Ik sluit wel uit dat er op basis van de resolutie

die er nu ligt, militair kan worden ingegrepen. Dat is het

verschil.

De heer Van Bommel (SP): De minister verwees zelf al

naar het regeerakkoord waarin inderdaad wordt

gesproken over het volkerenrechtelijk mandaat dat nodig

is voor militair ingrijpen waaraan Nederland deelneemt.

Maar vindt hij dat er ook een volkenrechtelijk mandaat

nodig is wanneer Nederland niet deelneemt, maar wel

politieke steun geeft aan een ingrijpen?

Minister Verhagen: Over de consequenties van het

regeerakkoord zullen wij op een ander tijdstip sowieso

nog van gedachten wisselen, mede op basis van een

verzoek van de Eerste Kamer. Ik zeg de Tweede Kamer

toe dat wij haar zullen informeren als wij aan de Eerste

Kamer die informatie verstrekken. Maar ik heb ten

aanzien van Iran gezegd dat de huidige resolutie geen

juridische grondslag biedt voor militair ingrijpen; ik denk

dat dit voldoende duidelijk is.

De heer Van Bommel (SP): Die twee dingen wil ik aan

elkaar vastknopen: de constatering dat er nu geen

resolutie is die een juridische basis verschaft voor

militair ingrijpen en de afspraak in het regeerakkoord dat

er een volkenrechtelijk mandaat nodig is voor de inzet

van Nederlandse troepen bij een militaire operatie. Mijn

vraag is heel eenvoudig: geldt die eis van een

volkenrechtelijk mandaat ook wanneer er geen Nederlandse

militairen worden ingezet, maar wel politieke

steun wordt gegeven? Dat is een heel eenvoudige vraag.

Minister Verhagen: Ik ga op dit moment geen discussie

voeren over wat een adequaat volkenrechtelijk mandaat

is. Laat ik één voorbeeld noemen. De Kamer heeft zelf

gevraagd om militair optreden in het geval van Kosovo.

De Kamer constateerde toen dat er een adequaat

mandaat voorhanden was, maar omdat er geen

Veiligheidsraadresolutie was, ging de discussie over de

vraag of wij aan de kant moesten blijven staan bij een

dreigende genocide of afslachting van mensen. Een

dergelijke discussie moeten we ook voeren over de vraag

wat een adequaat volkenrechtelijk mandaat is. Ten

aanzien van Iran zeg ik hier klip en klaar dat de huidige

resoluties geen juridische basis bieden voor militair

optreden of ingrijpen, maar dat die een mandaat bieden

voor de sancties die vermeld staan in de resolutie.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Dat laatste hebben wij

allemaal begrepen, maar dat is niet de vraag. De vraag

die, nogal zorgelijk, door uw eigen coalitiepartner is

opgebracht, is of Nederland steun zal verlenen aan een

militaire actie in Iran zonder volkenrechtelijk mandaat.

Het simpele verzoek is of u dat even wilt uitsluiten.

Minister Verhagen: Ik vind dat de huidige resolutie geen

basis biedt voor militair ingrijpen in Iran; punt!

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Misschien zijn we

hardleers, maar zo hardleers zijn we nu ook weer niet.

Het is meer dan duidelijk dat u vindt dat de huidige

resolutie het gebruik van geweld en militaire actie

uitsluit. Dat zijn we allemaal met u eens, dus die

mogelijkheid is er niet. Maar vervolgens is de vraag of

Nederland bereid is om op een of andere manier steun

te verlenen aan militair ingrijpen in Iran, mochten de VS

of Israël besluiten tot militaire actie zonder volkenrechtelijk

mandaat. De PvdA, uw eigen coalitiepartij, heeft

uitdrukkelijk gevraagd of u dat nadrukkelijk wilt

uitsluiten. Ik hoor u dit niet uitsluiten. Met andere

woorden, de regering laat dit open.

Minister Verhagen: Ik vind dat hier een compleet James

Bondscenario wordt geschetst. In een van de eerdere

overleggen stelde de heer Van Bommel me deze vraag

letterlijk: vond ik dit net als mijn voorganger een James

Bondscenario? Welnu, laat ik hier maar zeggen dat ik dit

een James Bondscenario vindt. Ik ga hier absoluut niet

speculeren over deze zeer hypothetische zaak. Want als

er iets hypothetisch is...

De heer Pechtold (D66): Voorzitter. We staan hier de

hele dag om te kijken of we iets kunnen leren van Irak.

Vanochtend kwam ik hiernaartoe met de hoop om hier

wat uit te kunnen halen, maar nu is mijn angstigste

vermoeden waar: we gaan hier niets aan duidelijkheid

over Irak krijgen, en we krijgen mist over Iran. Kan de

minister niet gewoon op een vraag van de PvdA duidelijk

antwoorden dat Nederland nooit politieke, militaire of

welke steun dan ook zal geven aan welke agressie dan

ook tegen Iran, als daar geen volkenrechtelijk mandaat

voor is?

De voorzitter: Dit is ook uw laatste poging. U spreekt

straks nog in tweede termijn.

De heer Pechtold (D66): Mijn laatste poging in de hoop

een antwoord te krijgen. Kamerbreed wordt daarom

gevraagd.

Minister Verhagen: Ik heb het antwoord gegeven dat

naar mijn mening de huidige resolutie geen juridische

basis biedt voor militair optreden.

Verhagen

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3240

De voorzitter: Ik snap het probleem van de Kamerleden,

maar zij kunnen daarover in tweede termijn spreken.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): De Kamer mag van de

minister eisen dat hij antwoord geeft op door de Kamer

gestelde vragen. Er komt geen antwoord.

De voorzitter: Ik verzoek de mensen op de publieke

tribune om zich te onthouden, hoe lastig dat soms ook

is, van openbare uitingen.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter: Ik ga niet meer in op verzoeken om

interrupties op dit punt. De Kamer heeft het antwoord

van het kabinet gehoord en kan daar in tweede termijn

nog op reageren. Tussen de eerste en de tweede termijn

wordt enkele ogenblikken geschorst. Dan kunnen de

leden bedenken hoe zij de minister om een nieuw

antwoord kunnen vragen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Voorzitter, ik stel u

graag een vraag van de orde. Bent u het met ons eens

dat als de Kamer bij herhaling – ik, de heer Pechtold, de

heer Wilders en de heer Van Dam – een identieke vraag

stelt aan de minister, de Kamer mag verwachten dat de

minister daarop een antwoord geeft en niet wegduikt?

Dat bent u toch met ons eens?

De voorzitter: Ik ben dat zeer met u eens. Ik stel echter

ook vast dat het stellen van identieke vragen niet

behulpzaam is daarbij.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Als daarop antwoord

wordt gegeven, is dat inderdaad niet behulpzaam. U

moet ons echter helpen om dat antwoord te krijgen.

De voorzitter: Me dunkt dat ik u geholpen heb, maar

blijkbaar levert dat onvoldoende op. Ik geef het woord

aan de heer Wilders.

De heer Wilders (PVV): Voorzitter, ik heb een andere

invalshoek maar ik ben het wel eens met mevrouw

Halsema dat wij geen antwoord krijgen op onze vraag.

De minister praat onterecht over een James Bondscenario

want het is geen James Bondscenario. Op hele

korte termijn zou het wel eens fout kunnen gaan met

Iran. Als de Amerikanen daar niet bij betrokken zijn, dan

zijn het de Israëli’s wel. Dat is niet een scenario dat

alleen in de bioscoop voorkomt maar helaas – met een

streep onder helaas – een scenario dat heel snel

bewaarheid kan worden. De vraag is dan ook absoluut

legitiem of de minister vindt dat Nederland een

eventuele actie buiten een volkenrechtelijk mandaat ten

aanzien van Iran kan steunen. Mijn fractie zegt daar ja op

en andere fracties zeggen daar nee op, maar wij hebben

allemaal recht op een eerlijk en duidelijk antwoord.

Minister Verhagen: Ik vind het niet terecht dat aan de

hand van deze discussie geprobeerd wordt om op die

vraag een antwoord te krijgen. Ik verwees al naar

Kosovo. De internationale gemeenschap besloot toen om

niet aan de zijkant te blijven staan vanwege het

ontbreken van een Veiligheidsraadresolutie terwijl

tienduizenden Kosovaren dreigden te worden afgeslacht.

Onder aanvoering van de Partij van de Arbeid heeft toen

iedereen, inclusief D66, gezegd dat militair optreden

noodzakelijk was om de afslachting van duizenden

Kosovaren te voorkomen. Er lag toen geen resolutie van

de Veiligheidsraad voor. Ik kan niet in discussies over

hypothetische situaties een algemeen, altijd bindend

antwoord geven. Ik heb wel gezegd dat militair optreden

uitgesloten is in relatie tot de resolutie van de Veiligheidsraad.

Economische sancties moeten gebruikt

worden om naleving van die resolutie af te dwingen. Ik

zeg niet bij voorbaat dat wij hoe dan ook de wens van de

heer Wilders steunen of dat wij altijd alles uitsluiten.

De heer Wilders (PVV): Mijn conclusie is dan dat deze

minister politieke steun aan een operatie tegen Iran

zonder volkenrechtelijk mandaat niet uitsluit. Ik dank hem

daar hartelijk voor.

De heer Van Baalen (VVD): Dit is toch juridische

fijnproeverij. Als in het regeerakkoord staat ’’een

adequaat volkenrechtelijk mandaat’’, kan dat naar de

opvatting van de VVD-fractie bij voorkeur een resolutie

van de VN-veiligheidsraad zijn, maar het kan ook, in

gevallen zoals in Kosovo, het volkenrecht als zodanig

zijn, zonder zo’n resolutie. Dat wordt dan ook in het

regeerakkoord bedoeld, daarvan gaat de VVD-fractie uit.

Minister Verhagen: Dat klopt. In die zin kan ik dan ook

volmondig ja zeggen.

©

Minister Van Middelkoop: Voorzitter. Ik wil de Kamer

bedanken voor de aandacht die is gegeven aan de brief

die wij namens het kabinet een paar dagen geleden

hebben gezonden over de Reporter-uitzending. Ik zou

mevrouw Van Gennip willen feliciteren met haar

maidenspeech.

Een opmerking vooraf: ik zal mij natuurlijk moeten

concentreren op het afleggen van verantwoording voor

zover het betreft zaken die mijn voorganger, de minister

van Defensie, in het verleden is aangegaan. In de periode

die wij nu primair bespreken, 2003, was ik ambteloos

burger. Ik was de afgelopen dagen dus gedwongen,

tussen aanhalingstekens, om eens wat meer zorgvuldig

alle dossiers door te nemen, in het bijzonder de stukken

die aan de Kamer zijn gezonden. Het viel mij op – ik vind

het plezierig om dat hier te melden – hoe zorgvuldig de

Kamer destijds is geïnformeerd en hoe volledig en

waarheidsgetrouw dat is gebeurd. Ik zeg dat niet alleen

maar om onszelf of het vorige kabinet een compliment

toe te dienen; het verklaart ook waarom Reporter

eigenlijk geen nieuws wist te brengen, geen nieuwe

informatie wist toe te voegen aan datgene wat al aan de

Kamer was gemeld. Iedereen die zich een parlementair

democraat wil noemen, kan daar toch verheugd over

zijn. In feite is de brief die wij aan de Kamer hebben

gestuurd, niet veel meer dan een soort annotatie bij

datgene wat in 2003 aan de Kamer is gemeld. Op

bepaalde punten hebben wij een verfijning kunnen

aanbrengen, dat is dan ook gebeurd, maar echt nieuws is

er niet. Dat geldt ook voor dit debat. Dat verbaast mij

niet, na datgene wat ik eerder heb gezegd.

De heer Pechtold (D66): Een bijzondere start van de

minister van Defensie. Hij zegt nu dat hij gedwongen is

Verhagen

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3241

om ze te lezen. Ik neem aan dat hij nu dus ook alle

MIVD-rapporten heeft gelezen?

Minister Van Middelkoop: Een mooi moment in dit

debat was toen de heer Pechtold werd geïnterrumpeerd,

ik dacht door de heer Van Dam, over MIVD-rapportages,

en wel rapportages uit de tijd dat hij zelf minister was.

Toen werd hij, en dat begreep ik heel goed, buitengewoon

terughoudend en maakte op een gegeven moment

de opmerking ’’voor zover ik erover mag spreken’’. Ik

vond dat een mooi bewijs van professionele terughoudendheid.

Dat moet ik, waar ik nog een meer directe

verantwoordelijkheid draag voor de MIVD, vanzelfsprekend

ook opbrengen.

De heer Pechtold (D66): De minister voor Bestuurlijke

Vernieuwing en Koninkrijksrelaties krijgt niet de

rapporten te lezen die de minister van Defensie te lezen

krijgt, hooguit bij hoge uitzondering als daarover wordt

gesproken.

Ik vraag dit omdat deze minister op 24 maart in het

programma TROS Kamerbreed op een vraag van de

interviewer ’’u wilde natuurlijk als eerste de MIVDrapporten

over Irak inzien’’ antwoordde: ’’nee, daar heb

ik helemaal geen belangstelling voor gehad. En die heb

ik nog niet. Ik zou er wel belangstelling voor hebben als

ik die kennis van destijds nodig zou hebben voor mijn

huidig functioneren. Daar is geen sprake van.’’ De

interviewer vraagt: ’’De suggestie wordt gewekt dat als je

niet wilt weten wat voor de hand ligt, dat er iets te

verbergen is.’’ Van Middelkoop: ’’Misschien, maar dat

weet ik dus niet.’’

Ik vind het interessant om te horen dat de minister nu,

een week later, zegt dat hij de rapporten allemaal

’’gedwongen’’ is te lezen en dat hij nu dus kennelijk meer

weet en fijn met ons daarover in gesprek kan. Klopt dat?

Minister Van Middelkoop: Dit was een lange interruptie.

Ik waardeer de heer Pechtold om zijn snelheid, maar

het zou aanbeveling verdienen als hij iets zorgvuldiger

zou luisteren. Ik heb het woord gedwongen – tussen

aanhalingstekens, want vervelend was het bepaald niet –

gebruikt toen ik het had over het lezen van brieven die

aan de Kamer zijn gestuurd. Wat mij daarbij opviel, was

dat zij zo zorgvuldig waren geredigeerd, zo volledig

waren en zo waarheidsgetrouw waren. Daar sloeg mijn

uitspraak op. Ik wil overigens nog wel iets verder gaan.

Natuurlijk heb ik de bevoegdheid om MIVD-rapportages

te lezen. Ik heb mij laten informeren door de MIVD over

de gebeurtenissen uit het verleden voor zover relevant

voor de beantwoording van de brief aan de Kamer die

vandaag is geagendeerd en voor zover relevant voor de

voorbereiding van dit debat.

De heer Pechtold (D66): Het is belangrijk om te

constateren dat de minister zijn expliciete uitspraak over

de MIVD-rapporten in TROS Kamerbreed van 24 maart

staande houdt. Hij heeft de rapporten niet gelezen en is

alleen geïnformeerd voor zover de ambtenaren het van

belang vinden dat deze minister het weet, terwijl hij wel

alle vragen van de Kamer en de antwoorden daarop

heeft gelezen. Ik vind dat opmerkelijk, en ik betreur het.

Minister Van Middelkoop: Het is interessant dat de heer

Pechtold dat betreurt. Op dat moment, ongeveer twee

weken geleden, was dat zo. Op dit moment heb ik mij ter

voorbereiding van de brief aan de Kamer en van dit

debat natuurlijk laten informeren, voor zover dat nodig

was. Tot op dit moment denk ik dat dit voldoende is

geweest, gelet op het verloop van het debat tot op dit

moment. De heer Pechtold zal het daarmee moeten

doen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Dan heeft de minister

even buiten de waard gerekend.

Minister Van Middelkoop: De waardin in dit geval.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Heeft de minister die

MIVD-rapporten nu wel of niet gelezen? Hij stelt dat de

Kamer volledig is geïnformeerd, maar is de minister zelf

wel volledig geïnformeerd?

Minister Van Middelkoop: De minister heeft zich

’’adequaat’’ laten informeren, om een adjectief te

gebruiken waarvoor dit kabinet een voorkeur heeft. Ik

heb mij laten informeren op de vitale punten die in dit

debat en de brief aan de orde komen, zoals de vraag of

en waar wij militair materieel hebben ingezet. Waar

nodig heb ik gevraagd om rapportages te sturen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Het is nogal verbazingwekkend

dat de minister bij zijn eerste grote debat over

Irak de Kamer betreedt zonder de relevante MIVDrapportages

te hebben gelezen. Ieder heeft zo zijn

voorbereiding.

Minister Van Middelkoop: Ik gun mevrouw Halsema

haar verbazing. Aan het einde van dit debat kan zij

constateren of deze minister in voldoende mate

verantwoording heeft afgelegd over hetgeen vandaag is

geagendeerd.

De heer Van Dam heeft mij zeer expliciet de vraag

gesteld of Nederlandse militairen in de betreffende

periode op of boven het Iraakse grondgebied hebben

gefunctioneerd. Nee, dat hebben zij niet. Dit is slechts

een herbevestiging van wat in de brief staat, maar ik

begrijp dat deze vraag zo expliciet aan mij moet worden

gesteld. Mevrouw Halsema heeft een vergelijkbare vraag

gesteld: is er geen enkele F-16, fregat, commando,

onderzeeboot enzovoort ingezet in het kader van de

Amerikaanse inval in Irak? Nee, dat is niet gebeurd. Zij

heeft mij bovendien gevraagd om gedetailleerd te

antwoorden, maar het is wat lastig om iets wat niet is

gebeurd, gedetailleerd te beschrijven.

Mevrouw Halsema heeft de uitspraken van de

toenmalige en huidige staatssecretaris Van der Knaap

voorgelezen, op dezelfde onbevangen manier als waarop

de staatssecretaris ze destijds heeft uitgesproken. Op dat

moment heeft hij gezegd dat het evident was te

veronderstellen dat de Amerikanen belangstelling

hebben voor een land als Irak. Hij heeft echter niet

gezegd – dat was de politieke portee van de interventie

van mevrouw Halsema – dat de onderzeeër onderdeel

zou zijn van de voorbereiding van de Amerikaanse inval

in Irak. Ik hoop dat er een moment komt waarop

mevrouw Halsema het kabinet op zijn woord gelooft.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Dat is vanzelfsprekend,

maar het kan zijn dat de minister het niet heeft gelezen.

Op die onderzeeër waren toch Amerikaanse officieren

aanwezig?

Van Middelkoop

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3242

Minister Van Middelkoop: De heer Van der Knaap heeft

dat in dat interview met zoveel woorden gezegd.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Die officieren waren

daar toch aanwezig omdat het een toegangsweg is tot

Irak? Dat heeft staatssecretaris Van der Knaap in al zijn

onbevangenheid gezegd.

Minister Van Middelkoop: De opmerkingen moeten niet

uit de context worden gelicht. Die onderzeeër was

onderdeel van Enduring Freedom, waaraan Nederland

een militaire bijdrage leverde. De Amerikanen hadden de

leiding in deze operatie. Dit verklaart waarom Amerikanen

aanwezig waren op die boot. Meer is er niet van te

maken. Omgekeerd geredeneerd had deze onderzeeboot

niet de taak om een bijdrage te leveren aan de voorbereiding

van de inval in Irak. Ik herhaal dat nog maar een

keer, want dit is het vitale politieke punt.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Wij wisten dat die

onderzeeër die taak niet had. Daarom waren de

uitspraken van de heer Van der Knaap destijds ook zo

opvallend. De interviewer van RTL4 heeft afgelopen week

in het programma Argos gezegd dat daarna, maar nog

voor de uitzending, druk is uitgeoefend op RTL4 om het

niet uit te zenden of om het zo te herformuleren dat het

zou passen in de operatie Enduring Freedom. Dat neemt

echter niet weg dat de heer Cees van der Knaap ter

plaatse, op die onderzeeër, wel degelijk een rechtstreeks

verband legde tussen voorbereiding op een oorlog in

Irak en de aanwezigheid van de Amerikanen. Dat heeft

hij letterlijk gezegd.

Minister Van Middelkoop: Mevrouw Halsema moet wel

zorgvuldig zijn, ook tegenover de heer Van der Knaap. In

dat interview is gesproken over Irak. Het woord ’’Irak’’ is

zelfs tweemaal gevallen, maar er is niet gesproken over

de aanwezigheid van Amerikanen en het functioneren

van die onderzeeboot in het kader van de voorbereiding

van de oorlog in Irak. Dat deze uitspraken in bepaald

opzicht opvallend waren en wellicht ook ongelukkig

genoemd kunnen worden, mag duidelijk zijn. Anders was

mevrouw Halsema er nu niet mee aangekomen. Het

belangrijke politieke punt is dat de heer Van der Knaap

toen niet heeft gezegd en ook niet heeft willen zeggen,

omdat het buiten de waarheid zou zijn, dat die onderzeeboot

een functie had bij de voorbereiding van de inval in

Irak.

De heer Pechtold (D66): Er ligt een stille onderzeeboot

voor de kust van Irak. De staatssecretaris spreekt

daarover de volgende woorden uit. De Amerikanen zijn

heel druk bezig om te kijken hoe het is in dit gebied. Het

ligt vlak bij Irak. Het is de toegangsweg tot Irak. Dus is

het heel duidelijk dat zij zo goed mogelijk kennis willen

nemen van alle activiteiten in dit gebied en dat zij

daarover een scenario willen maken. In dit kader moet u

ook deze activiteiten van deze onderzeeër zien.

Op die boot zitten vier Amerikanen die alle dialecten

Arabisch kennen, die afluisteren. Op het moment dat

RTL4 deze opnames van de staatssecretaris heeft

gemaakt, luistert de Wereldomroep mee. Daarna stelt de

Wereldomroep dezelfde vragen. De staatssecretaris is

inmiddels bijgepraat door zijn woordvoerder, herhaalt

niet hetzelfde en op de terugweg wordt aan journalisten

gevraagd om het vooral onder operatie Enduring

Freedom te brengen. Ik zou toch graag van deze minister

horen hoe hij dat kan verklaren. Tweemaal valt het

woord ’’Irak’’. Voorts vallen de woorden ’’toegangsweg’’,

’’scenario’’, ’’Amerikanen’’ en ’’afluisteren’’.

Minister Van Middelkoop: Ik zeg het nogmaals. Zoals

destijds aan de Kamer is meegedeeld, is deze onderzeeboot

een deel van de bijdrage geweest van Nederland

aan de operatie Enduring Freedom. Vervolgens zou ik de

heer Pechtold willen vragen, met erkenning van de

mogelijke misverstandwekkende uitspraken van de heer

Van der Knaap, de kaart van het gebied voor ogen te

nemen. Er liggen een aantal landen en zeker brisante

landen om de Arabische Golf. Daar was dit maritieme

onderdeel van deze operatie werkzaam. Het is dan

logisch dat je erop wijst dat de belangstelling van

Nederlanders, Amerikanen en wie dan ook naar die

landen uitgaat. Het vervelende is dat alleen Irak is

genoemd.

De heer Pechtold (D66): ’’Toegangsweg tot Irak’’

betekent dat je ergens naar toe wilt. ’’Scenario’’ betekent

dat je dat verkent. Of u zegt dat de staatssecretaris Irak

en Iran door elkaar heeft gehaald, want dat zou

eventueel onder de operatie Enduring Freedom kunnen

vallen. Of het is gewoon waar. Laat ik het omdraaien,

want anders krijg ik hetzelfde antwoord. Sluit u uit dat

deze onderzeeër hoe dan ook en in welke vorm dan ook,

bijvoorbeeld door Amerikanen of wie dan ook de

mogelijkheid te verschaffen om mee te luisteren en die

informatie aan anderen te verstrekken, betrokken is

geweest bij de voorbereidingen tot de inval in Irak? Sluit

u dat klip en klaar uit?

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Hebt u het gelezen?

Minister Van Middelkoop: Ik heb dit gelezen, mevrouw

Halsema. Natuurlijk was dit voor mij ook een aangelegen

punt. Ik was al blij dat ik die onderzeeboot aantrof in de

brief aan de Kamer. Meestal worden er over onderzeeboten

niet al te veel mededelingen gedaan. Dat heeft

natuurlijk te maken met de aard van dit instrument.

Vandaar mijn opmerking aan het begin van mijn betoog

dat er zo zorgvuldig is gerapporteerd. Ik herhaal mijzelf

in antwoord op de, overigens ook bij herhaling gestelde,

vraag van de heer Pechtold. De onderzeeboot maakte

deel uit van de operatie Enduring Freedom, had niet als

taak om een bijdrage te leveren aan de operatie in Irak

en heeft dat ook niet gedaan.

De heer Van Bommel (SP): Deze redenering laat nog

steeds ruimte voor activiteiten van personen in de

onderzeeboot. De vraag dient dan ook te zijn of de

minister uitsluit dat de Amerikanen inlichtingen hebben

vergaard die waren gericht op de voorbereiding van de

inval in Irak.

Minister Van Middelkoop: Voorzitter. Ik kan het niet

mooier maken dan het is en destijds is meegedeeld aan

de Kamer. Deze onderzeeboot had de taak die ik zojuist

heb genoemd. Natuurlijk waren de Amerikanen erbij

betrokken. Operatie Enduring Freedom werd door de

Amerikanen geleid. Een onderzeeboot is vooral bedoeld

voor het vergaren van inlichtingen. De inzet ervan is

daarop dan ook gericht geweest.

Van Middelkoop

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3243

De heer Van Bommel (SP): Ik stel vast dat de minister

het niet uitsluit dat de Amerikanen die aan boord van

een Nederlandse onderzeeboot waren inlichtingen

hebben verzameld met het oog op een inval in Irak.

Daarmee heeft Nederland, al hebben de eigen militairen

het niet gedaan, in ieder geval gefaciliteerd dat de

Amerikanen voorbereidingen konden treffen voor de

inval in Irak. In gewoon Nederlands heet dat: de regering

heeft er aan meegewerkt.

Minister Van Middelkoop: Ik wachtte even tot de heer

Van Bommel nog verder zou radicaliseren. Dan zou de

onderzeeboot ook torpedo’s hebben afgeschoten.

De voorzitter: Als u dit zegt, mag de heer Van Bommel

iets terugzeggen.

De heer Van Bommel (SP): Ik probeer een politieke

conclusie te verbinden aan de ruimte die de minister in

zijn woorden laat. Dan wens ik niet door de minister te

worden geridiculiseerd. Ik stel een serieus punt aan de

orde. Het is de kern van dit debat of wij militair hebben

meegewerkt aan de inval in Irak. Dan komt de minister

met dit soort onzin...

Minister Van Middelkoop: Voorzitter. Niets in mijn

beantwoording rechtvaardigt de conclusie dat deze

onderzeeboot zou hebben meegewerkt aan de voorbereiding

van de inval in Irak. De heer Van Bommel moet dat

dan ook niet zeggen. De uitspraak dat de minister het

niet uitsluit, is een buitengewoon suggestieve. Ik wens

dat niet gezegd te hebben. Ik geef er de voorkeur aan om

in positieve termen te formuleren wat de taak van de

onderzeeboot is geweest. Deze opdracht is uitgevoerd.

Dat betekent dat er geen andere zaken zijn gebeurd dan

waarvoor de onderzeeboot aan de operatie Enduring

Freedom is toegevoegd.

Mevrouw Thieme (PvdD): Ik wil het ook nog even

proberen. Ook ik ben van mening dat er erg veel ruimte

overblijft. De minister heeft het telkens over de onderzeeboot

die een taak heeft. Het gaat erom wat de mensen

aan boord van de boot doen. Wij willen weten wat deze

mensen, in dit geval de Amerikanen, aan het doen

waren. Wij vragen ons af of de minister uitsluit dat de

Amerikanen informatie hebben vergaard ter voorbereiding

op een inval in Irak.

Minister Van Middelkoop: Dat laatste heb ik al drie keer

beantwoord. Mevrouw Thieme moet het mij niet kwalijk

nemen dat ik, wanneer ik over een onderzeeboot spreek,

daarbij de bemanning inbegrijp. Ik kan het niet mooier

maken.

Mevrouw Thieme (PvdD): Maar dan wil ik weten of de

Amerikanen enkel en alleen bezig waren met de operatie

Enduring Freedom en niet met de voorbereiding tot een

inval in Irak.

Minister Van Middelkoop: Voorzitter. Dit wordt dan de

vijfde keer. De bemanning van de duikboot, inclusief de

Amerikanen, heeft zich beziggehouden met een operatie

in het kader van Enduring Freedom.

De voorzitter: Ik stel vast dat de minister hiermee dit

onderdeel van zijn beantwoording heeft afgerond en stel

voor dat leden die hierover nog vragen hebben, deze

voor hun tweede termijn bewaren.

Minister Van Middelkoop: Voorzitter. Ik was bezig een

aantal geachte afgevaardigden te citeren en vervolgens

te beantwoorden. Ik kan de heer Van Bommel meedelen

dat er geen geheime missies zijn geweest. Dat ligt in het

verlengde van het interruptiedebat dat wij zojuist hebben

gevoerd. Ik ga hiermee wellicht verder dan betamelijk is,

maar ik meen dat de helderheid van dit debat en de

gevoeligheid van dit onderwerp met zich meebrengen

dat ik hierover klip en klaar moet zijn.

Ik begrijp niet helemaal waarom mevrouw Thieme de

brief die het kabinet heeft gestuurd een kwestie van

verhullend taalgebruik en een schijnvertoning noemde.

Misschien wil zij dat nog uitleggen. Duidelijker dan wij

waren konden wij niet zijn en zullen wij ook niet kunnen

zijn.

Dit is natuurlijk een herhaling van zetten. Na de brief

en na het debat zouden wij het plezierig vinden dat

indien na onze bezweringen, onze rechtvaardiging en

onze verantwoording weer iemand aankomt met een

F-16 die over Irak zou hebben gevlogen of anderszins, dit

gedocumenteerd gebeurde. Het wordt heel moeilijk te

reageren op speculaties, verdachtmakingen enz. Daar

kun je je moeilijk tegen verdedigen. Wij leggen op de

meest zorgvuldige wijze verantwoording af over hetgeen

een jaar of drie, vier geleden is gebeurd. Dit is een

algemene uitspraak, die niet tot mevrouw Thieme is

gericht.

Mevrouw Thieme (PvdD): Ik reageer nog even op de

ontkenning door de minister dat er sprake is van

verhullend taalgebruik.

Minister Van Middelkoop: Ik begreep het niet.

Mevrouw Thieme (PvdD): Het probleem is dat het

kabinet in de Irak-kwestie altijd reactief ingaat op dingen

die naar boven komen. Het is allemaal niet waar en dan

wordt er selectief geciteerd uit een memorandum dat wij

niet onder ogen hebben gekregen. Het gaat over punten

en komma’s. De minister verbloemt daarmee. Hij geeft

nauwelijks aan wat er wel is afgesproken of wel is

Mevrouw Thieme (PvdD)

© M. Sablerolle – Gouda

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3244

gebeurd. Dat is het grote probleem van dit hele debat en

van de houding van de regering.

Minister Van Middelkoop: In feite geeft u aan dat, wat

wij ook zeggen en welke informatie wij ook geven, u het

moeilijk vindt om te geloven dat wij wel eens de

waarheid zouden kunnen spreken. Het voorbeeld dat u

noemde is zo-even buitengewoon uitvoerig door collega

Verhagen besproken. Beargumenteerd is waarom wij op

de uitlatingen in Reporter hebben gereageerd zoals wij

hebben gedaan. Mooier kan ik het niet maken. Het

belangrijkste is – vandaar mijn opmerking over de term

verhullend – dat er geen nieuwe dingen boven water zijn

gekomen waarover wij ons zouden moeten verantwoorden.

De heer Van Bommel (SP): Hanteert de minister niet een

dubbele moraal als hij zegt dat televisieprogramma’s en

radioprogramma’s hun bronnen openbaar moeten

maken om hun beweringen te staven? Hij had het er net

over dat weer eens wordt beweerd dat er een F-16 is

gesignaleerd. Zelf beschikt hij over allerlei documenten

die hij aanvoert als bewijs voor zijn eigen positie, maar

die maakt hij niet openbaar. Anderen moeten dat wel

doen. Dat is toch een dubbele moraal?

Minister Van Middelkoop: Als er, om bij dit voorbeeld

te blijven, geen Nederlandse F-16 boven Irak heeft

gevlogen, wordt het lastig om documenten naar boven

te halen waarin staat dat dit wel het geval zou zijn. Nadat

wij zo vaak met elkaar hebben gediscussieerd, nadat wij

een brief hebben gestuurd met een verwijzing naar alle

informatie die het kabinet in het verleden heeft gegeven

en nadat wij dit debat hebben gehouden, zou ik het

plezierig vinden als een volgende beschuldiging, of hoe

men het ook wil noemen, gedocumenteerd zou worden.

De Kamer mag daarmee doen wat zij wil.

De heer Van Bommel (SP): Maar is het niet een dubbele

moraal als anderen hun bronnen beschermen, zoals

Argos doet, maar de minister zelf ook zegt dat het

kabinet documenten niet openbaar maakt? Zelfs een

verslag van een brainstormsessie is in een keer

staatsgeheim, alsof de sleutel van de schatkist erin te

vinden is.

Minister Van Middelkoop: Het wordt een beetje een

herhaling van zetten. Mijn collega Verhagen heeft

uitvoerig verantwoording afgelegd. Ik geloof niet dat wij

dat moeten herhalen. Er is geen sprake van een dubbele

moraal. Het signaal dat ik wilde afgeven is wel duidelijk.

Ik zie wel wanneer de heer Van Bommel weer een keer in

een televisieprogramma verschijnt. Wij zullen dat met

aandacht volgen.

De voorzitter: De heer Pechtold krijgt gelegenheid voor

een interruptie, niet over hetzelfde onderwerp, maar over

een ander onderwerp.

De heer Pechtold (D66): Wij hadden net ook al acht

interrupties nodig ...

De voorzitter: Daar moeten wij geen gewoonte van

maken.

De heer Pechtold (D66): De minister sprak zojuist heel

omzichtig over de onderzeeboten, maar hij zegt nu dat

wij ongemotiveerd maar dingen roepen. Ik hoor graag

een ’’ja’’ of een ’’nee’’ op twee heldere vragen die ik heb

gesteld. Klopt het dat er in oktober 2002 Nederlandse

F-16’s hebben deelgenomen aan verkenningsvluchten

boven Irak? Het antwoord is dus: nee.

Minister Van Middelkoop: Dat hebt u goed gehoord.

De heer Pechtold (D66): Klopt het dat Nederlandse

militairen is gevraagd om informatie over noodlandingen

van F-16-piloten van de website te halen? Wat is het

antwoord?

Minister Van Middelkoop: Ook nee. Dat is allemaal

inbegrepen in de duidelijke uitspraak dat wij geen

bijdrage in welke vorm dan ook hebben geleverd aan de

Amerikaanse inval in Irak.

De voorzitter: De minister vervolgt zijn betoog. U kunt

de rest van de vragen bewaren voor de tweede termijn.

De heer Pechtold (D66): De minister zegt dat nu wel,

maar in het Deense inlichtingenrapport staat letterlijk:

’’attached parts NL-forces’’ aan een Deense operatie in

Irak. Kan de minister dat verklaren?

Minister Van Middelkoop: Dat is niet gebeurd.

De heer Pechtold (D66): Dus het Deense rapport spreekt

niet de waarheid?

Minister Van Middelkoop: Zoals u weet is noch de

Nederlandse regering noch de Nederlandse minister van

Defensie verantwoording schuldig over Deense

inlichtingenrapporten. Er is geen Nederlandse bijdrage

geweest. Dat is het vitale punt in deze discussie.

Ik vind dat de heer Van Bommel een pijnlijke opmerking

maakt als hij zegt dat Plein 4 – het ministerie van

Defensie voor wie dat niet weet – zo lek is als een

mandje en dat er sprake is van een afdekcultuur. Hij

verwijst daarbij naar de generaal b.d. Couzy als een

gezaghebbende bron. Dat mag hij doen. Ik moet eerlijk

zeggen dat ik de heer Van Bommel niet erg consistent

vindt als ik het hele debat erbij betrek. Als het ministerie

van Defensie inderdaad zo lek is als een mandje zoals de

heer Van Bommel beweert, als dit kabinet, de minister

van Defensie inbegrepen, een heleboel dingen zou

verzwijgen – de stelling van de heer Van Bommel – is het

logisch te verwachten dat wij op dit moment in

buitengewoon serieuze problemen zouden komen.

Waarom is dat niet het geval? Omdat er niet gelekt is als

een mandje en omdat wij geen informatie achterhouden.

De heer Van Bommel moet het toch doen met de

mededeling dat het kabinet op deze punten de waarheid

spreekt. Hij zal begrijpen dat ik voor mijn ambtenaren en

militairen moet opkomen. Ik kan dat ook gerechtvaardigd

doen. Het beeld ’’zo lek als een mandje’’ is niet helemaal

conform de werkelijkheid.

De heer Van Bommel (SP): Ik vind die laatste opmerking

wel een stap in mijn richting. Niet helemaal conform de

werkelijkheid, zegt de minister. Het is dus wel een beetje

lek als mandje?

De regering heeft zelf aangegeven dat zij er grote

problemen mee heeft dat links en rechts allerlei

Van Middelkoop

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3245

documenten verschijnen. Ik kan mij dat goed voorstellen.

De regering heeft wel degelijk een probleem als allerlei

documenten die zij zelf als geheim beschouwt en niet

openbaar wil maken, zo maar op straat komen te liggen,

zoals bijvoorbeeld een brief van de Amerikanen die als

geheim wordt betiteld. Dan is er dus wel een probleem.

De minister moet niet daarvoor weglopen.

De voorzitter: De minister van Buitenlandse Zaken wil

een opmerking maken.

Minister Verhagen: Ik hecht eraan, de Kamer mee te

delen dat ik de Rijksrecherche gevraagd heb onderzoek

te verrichten naar het lekken van documenten uit het

ministerie van Buitenlandse Zaken.

De voorzitter: Ik dank de minister van Buitenlandse

Zaken voor deze mededeling.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Als de Rijksrecherche

onderzoek moet doen, bevestigt dit dat het inderdaad zo

lek is als een mandje.

Ik heb nog een vraag naar aanleiding van een

opmerking van de minister van Defensie. De minister zei

toch dat de regering niet in de problemen is omdat er

niet gelekt is? Kan hij dat even toelichten?

Minister Van Middelkoop: Ik heb die redenering

toegepast op de heer Van Bommel. De heer Van Bommel

stelde namelijk dat het ministerie zo lek is als een

mandje. Als dat inderdaad het geval zou zijn en in

datzelfde ministerie een heleboel informatie was die onze

positie hier onderuit zou halen, zou men die dus hebben

moeten laten lekken. Ik constateer in dit debat dat die

informatie er niet is en dat ook niemand ermee gekomen

is. Het onderzoek van de Rijksrecherche betreft het

ministerie van Buitenlandse Zaken, maar ook ik weet wel

dat er af en toe gelekt wordt. Dat verklaart ook de

mildheid van mijn antwoord aan de heer Van Bommel.

Hij moet echter niet zeggen dat het ministerie zo lek is

als een mandje.

Een jaar geleden is de commissie-Lemstra gevraagd

om de problemen die elk ministerie kent nog eens te

onderzoeken. Er is een pakket aan maatregelen genomen.

Wij weten allemaal dat de perfecte samenleving

niet bestaat op het ministerie van Defensie en ook niet

daarbuiten.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): De minister heeft de

neiging om alle vragen met de Franse slag te beantwoorden.

Als de minister zegt dat de regering niet in de

problemen is omdat er niet gelekt is, bevestigt hij het

beeld dat de regering heel veel te verbergen heeft. Maak

dan documenten gewoon openbaar. De regering komt

schijnbaar in de problemen als de documenten wél naar

buiten komen.

De voorzitter: Dit was geen echte vraag. Als ik u was

minister, zou ik mijn betoog gewoon vervolgen.

Minister Van Middelkoop: Ik heb tot vijf keer toe

gezegd dat wij geen F-16’s hebben ingezet, enzovoorts,

enzovoorts. Dan moet mevrouw Halsema toch op enig

moment serieus overwegen of dat misschien de

waarheid is. Dat betekent dat daarover geen documenten

zijn en wel om de simpele reden dat er geen documenten

zijn die gaan over iets wat niet is gebeurd.

Het kan zijn dat ik de heer Van Bommel verkeerd heb

verstaan, maar als dat niet zo is, vind ik het jammer dat

hij zei te zullen wachten totdat militairen hun mond

zouden opendoen. Dat is toch een beetje een oproep om

te lekken. Dat vind ik niet helemaal betamelijk voor een

Kamerlid. De heer Van Bommel zal er als de kippen bij

zijn om mij vragen te stellen als er een keer gelekt wordt.

Terecht overigens, want dan mag je een minister ter

verantwoording roepen, maar laat ik weer mild zijn voor

de heer Van Bommel en zeggen dat het kan zijn dat ik

zijn woorden iets te sterk heb opgevat.

De heer Van Bommel (SP): Ik probeer dat te beredeneren,

maar ik meen toch dat u mij juist heeft verstaan.

Minister Van Middelkoop: Nog erger dus.

De heer Van Bommel (SP): Ik heb ook gezegd dat

sommige militairen in gewetensnood kunnen komen als

door de minister van Defensie bepaalde beweringen

worden gedaan, terwijl zij zouden – ik zeg: zouden –

weten dat de situatie anders is. Dan kan ik mij voorstellen

dat mensen uit gewetensnood lekken en dat er

geheime documenten, getuigenissen, eventueel van

mensen die niet meer in de krijgsmacht zijn, openbaar

worden. Dát is de veronderstelling die ik hier doe.

Minister Van Middelkoop: Ik ben blij dat u het woordje

’’zouden’’ toevoegt, want dan praten wij dus over een

academische situatie. Het lijkt mij niet verstandig om die

in dit debat te bespreken. Overigens, bij elke organisatie,

ook bij defensie, zijn er interne voorzieningen om iets te

melden als men echt in de klem komt met het geweten.

Ik wil het hierbij laten, want ik wil niet de indruk wekken

dat dit thans het geval zou zijn.

De heer Van Bommel deed de curieuze suggestie voor

het kabinet om de rechter in te schakelen vanwege het

verschil van mening over een aantal uitlatingen in het

programma Argos. De heer Van Bommel zal begrijpen

dat dit kabinet een groot voorstander is van de vrijheid

van meningsuiting en dat het ook een groot voorstander

is van vrijheid voor journalisten om zeer verstandige

opmerkingen te maken, maar ook om onverstandige te

maken. Daarin zijn zij vrij. Het kabinet vindt de Kamer dé

plek om verantwoording af te leggen en om op dit soort

uitlatingen te reageren. Hier zullen wij ons verweren en

niet bij de rechter.

De heer Van Bommel (SP): Maar in feite zegt u dat deze

mensen liegen over de Nederlandse militaire betrokkenheid,

want u zegt feitelijk dat wat zij brengen, een leugen

is. Dus uw organisatie, de Nederlandse overheid wordt

op een zeer belangrijk punt belasterd. Dan zegt u:

daarover discussieer ik wel met de Kamer en dan is het

ook dik voor mekaar. Dat kan toch niet het standpunt van

een regering zijn.

Minister Van Middelkoop: De heer Van Bommel heeft

wel een aanzienlijke verhoging van toonhoogte nodig om

dit debat op dit punt te voeren. Ik heb het woord liegen

niet gebruikt en dat zal ik ook niet doen en wat ik al

helemaal niet zal doen is Argos ervan beschuldigen dat

men daar wie dan ook heeft belasterd. Mijnheer Van

Van Middelkoop

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3246

Bommel, ik zie uw mimiek, maar dat is uw taal. Dit moet

u mij niet toedichten.

De voorzitter: Ik zie mevrouw Halsema reageren, maar

het is niet goed in de zaal op deze manier met elkaar te

communiceren. De minister moet ook via mij communiceren.

Ik zie de heer Van Bommel weer bij de interruptiemicrofoon

staan, maar ik heb hem het woord niet

gegeven. Wat mij betreft is dit onderwerp afgedaan. De

heer Van Bommel kan zijn tweede termijn gebruiken om

nadere opmerkingen te maken. De minister maakt nu zijn

betoog af en dan kan eventueel de minister-president

nog het woord voeren.

Minister Van Middelkoop: Mevrouw de voorzitter.

Onder anderen de heer Pechtold heeft iets gezegd over

de commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten.

Het betreft hier meer een kwestie van

zorgvuldigheid. Ik meen dat het belangrijk is te bepalen

dat het informeren van die commissie gelijk staat aan, zij

het op een aangepaste manier, het informeren van de

Kamer. Wij hebben allemaal ons in democratisch opzicht

ongemakkelijke gevoel dat wij af toe iets geheim moeten

houden, maar daar is een voorziening voor getroffen en

die wordt gevormd door de commissie voor de

Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten. Dat betekent dat je

niet zo maar kunt zeggen dat met het informeren van

deze commissie de Kamer niet is geïnformeerd. Deze

commissie maakt deel uit van de Kamer en het informeren

van deze commissie betekent, nogmaals: op

aangepaste wijze, het informeren van de Kamer.

De heer Pechtold heeft een duurzame belangstelling

voor het optreden van destijds door luitenant-kolonel

Blom. Een paar dagen geleden heb ik exact dezelfde

vraag, maar dan schriftelijk, beantwoord en gezegd wat

die overste daar destijds deed. Nu komt de heer Pechtold

weer met dezelfde vraag. Hij zal het kunnen billijken dat

ik precies hetzelfde antwoord geef en moet geven.

Overigens, schriftelijk is al een verwijzing aangebracht

naar de stukken van destijds. Dus er blijft openbaarheid.

Destijds heeft mijn voorganger gezegd het te betreuren

wat daar is gebeurd, omdat de beeldvorming verkeerd

was. Nederland heeft op verzoek van Turkije Patriots

geleverd ter bescherming, voor zover nodig, van het

Turkse grondgebied. Zoals u weet, is Turkije een

NAVO-bondgenoot. Om te voorkomen dat die Patriots

bijvoorbeeld Amerikaanse vliegtuigen uit de lucht zouden

halen, was er een liaisonofficier, te weten luitenantkolonel

Blom, geplaatst in Qatar. Dat was zijn functie; hij

was er dus volstrekt legitiem aanwezig. Dat is destijds

ook aan de Kamer gemeld. Maar het was niet nodig

geweest om naast generaal Franks te staan op de

gewraakte persconferentie.

Ik wil de heer Van Baalen en de heer Wilders

bedanken voor hun constructieve oppositie, voor zover

het woord ’’oppositie’’ op dit moment op zijn plaats is.

De heer Voordewind en mevrouw Van Gennip dank ik

voor hun constructieve coalitieopstelling.

Ik wil ook de heer Van der Staaij bedanken. Hij heeft

gevraagd of de Kamer niet zou moeten worden

geïnformeerd over een casus zoals destijds het Amerikaanse

verzoek – request/something to discuss – over

militair materieel. Ik meen dat die vraag tweeledig is.

Over het verzoek is de Kamer geïnformeerd; dat is een

reguliere zaak geweest. Verder wil ik hem toch verwijzen

naar hetgeen destijds is afgesproken in de discussie over

het rapport van de commissie-Bakker en daarna. Toen is

onder ogen gezien wat de positie van de Kamer zou

kunnen en moeten zijn, als ergens het gerucht bestond

dat Nederland voor iets zou worden gevraagd. Wij

hebben toen afgesproken dat het kabinet de Kamer

informeert, als een verzoek is ingediend en serieus wordt

gewogen. Dat betekent dat alles wat langskomt en

waarmee verder niets wordt gedaan niet hoeft te worden

gemeld. Dat is de bestendige praktijk geworden. Ik ben

van mening dat die praktijk voldoende is om te voorzien

in een geval zoals de heer Van der Staaij nu naar voren

heeft gebracht. Het lijkt mij niet nodig om deze praktijk te

wijzigen.

De heer Van der Staaij (SGP): De minister zegt dat een

verzoek dat serieus wordt gewogen aan de Kamer wordt

gemeld. Maar als er een serieus verzoek is gedaan

waarvan het op voorhand om technische of politieke

redenen niet wenselijk wordt geacht om erop in te gaan,

wordt er dan volgens de formulering van de minister wel

of niet iets over bericht aan de Kamer?

Minister Van Middelkoop: Neen. Er komt ongelooflijk

veel langs in de internationale wereld wat je zou kunnen

onderbrengen in de rubriek ’’verzoek’’. De verantwoordelijkheid

van de regering wordt pas dan echt gearticuleerd,

als je dat serieus gaat overwegen, zeker als die

zaak verband houdt met een mogelijke uitzending van

militairen. Daarover zijn afspraken gemaakt. Nogmaals,

het lijkt mij dat de afspraak die daarover destijds is

gemaakt tussen het kabinet en de Kamer ook voor dit

geval voldoet. Ik weet niet eens precies wat ik u zou

toezeggen, als ik u zou informeren over alles waarop wij

afhoudend reageren. Ik ben bang dat uw postvak dan

wel eens verzadigd zou raken en dat u op een gegeven

ogenblik zegt: doe mij dat niet aan.

De heer Van der Staaij (SGP): Ik kan mij inderdaad

voorstellen dat het kabinet niet elke sondering of elke

vraag onmiddellijk naar het parlement wil doorzenden,

maar ik kan mij ook voorstellen dat er een verschil is in

de vorm waarin zo’n verzoek u bereikt, bijvoorbeeld in

informele contacten of als serieuze verzoeken. Het gaat

wellicht te ver om dat in de context van dit debat uit te

discussiëren, maar ik ben toch van plan om er een keer

op terug te komen. Zou er toch niet meer gemeld kunnen

worden als een verzoek welbewust wordt afgewezen

door de regering, maar later een ander verzoek wel

wordt gehonoreerd dat je in samenhang met het eerdere

verzoek zou kunnen bezien? Ik wil graag op een later

moment daarover door kunnen discussiëren.

Minister Van Middelkoop: Dat lijkt mij uitstekend. Dat

latere moment zou wellicht het moment kunnen zijn

waarop wij het regeringsstandpunt bespreken over het

rapport van de commissie-Van Baalen. De vorige Kamer

heeft een rapport uitgebracht over artikel 100 en alles

wat ermee samenhangt; u kent mijn belangstelling voor

het onderwerp. Dit puntje lijkt mij uitstekend te passen

bij dat debat, maar ik laat het aan de heer Van der Staaij

over om zijn eigen moment te kiezen.

Er is gevraagd naar de manier waarop mijn voorganger,

de heer Korthals, destijds minister van Defensie, zou

hebben gereageerd op een briefing in Warschau. Ook op

dit punt zou ik kunnen volstaan met de mededeling dat

dit valt onder de vertrouwelijkheid. Ook omdat het hier

Van Middelkoop

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3247

gaat om de persoon van de minister van Defensie van

destijds, heb ik in de MIVD-rapporten laten nagaan of

inderdaad door de toenmalige minister van Defensie een

appreciatie is gevraagd van de CIA-rapporten. Wij

hebben niets kunnen vinden.

De heer Pechtold (D66): Ik wil graag een reactie van de

minister van Defensie op uitspraken van de heer Couzy:

’’Ik vind het onbestaanbaar dat premier Balkenende nog

steeds onderzoek naar de besluitvorming over Irak

blokkeert. Ik begrijp wel dat hij bang is voor gezichtsverlies,

maar hij kan de waarheid niet blijven tegenhouden.

Er moet een onderzoek komen naar Irak.’’ Wat zou de

heer Couzy, toch jaren betrokken bij de organisatie van

de minister van Defensie, bedoelen met ’’de waarheid’’?

In een andere uitzending had hij het nog over een

afdekcultuur.

Minister Van Middelkoop: Zou de heer Pechtold nu

echt willen dat ik op dit moment als woordvoerder van

de heer Couzy ga optreden? De uitspraken van de heer

Couzy die de heer Pechtold citeert, betreffen het karakter,

de noodzaak, enz. van de politieke afspraak die rond het

regeerakkoord is gemaakt. Over dat onderwerp zal de

minister-president ongetwijfeld zeer bevindelijk kunnen

spreken. Het lijkt mij verstandig om dit punt door hem te

laten behandelen. Ik loop er niet voor weg; het is een

kwestie van taakverdeling binnen het kabinetssmaldeel

hier aanwezig.

De heer Van Bommel (SP): Met betrekking tot het

beweerde verzoek van toenmalig minister Korthals voor

een eigen beoordeling van de kwestie van de massavernietigingswapens

zegt de minister tussen neus en

lippen door: ’’Wij hebben niets kunnen vinden.’’

Minister Van Middelkoop: Dat zeg ik niet tussen neus

en lippen door, ik heb het met zo veel woorden letterlijk

gezegd.

De heer Van Bommel (SP): Spreekt de minister tegen

dat het verzoek is gedaan?

Minister Van Middelkoop: Het is weer een bijzondere

toonhoogte. Ik spreek niets tegen. Ik ben al iets verder

gegaan dan waartoe ik wellicht verplicht ben. Wat

voortdurend opduikt, is dat de minister van Defensie van

destijds, de heer Korthals, de MIVD om een appreciatie

zou hebben gevraagd van de CIA-waarnemingen, enz.

Wij hebben daarvan niets kunnen vinden in onze

documenten. Kennelijk is zo’n appreciatie niet gemaakt/

niet gevraagd.

©

Minister Balkenende: Voorzitter. Ik dank de leden voor

hun inbreng. Ik wil allereerst stilstaan bij de wenselijkheid

van het doen van een onderzoek, een onderwerp

dat hier vaak besproken is. Een- en andermaal heeft het

geleid tot Kameruitspraken. Vervolgens zal ik stilstaan bij

de kabinetsformatie, omdat daarover opnieuw opmerkingen

zijn gemaakt.

In de afgelopen tijd en ook in het debat heb ik diverse

sprekers gehoord over de wenselijkheid van een

onderzoek naar de gang van zaken indertijd. Er is

gevraagd om duidelijkheid, maar die duidelijkheid ís er.

Raadpleeg de Handelingen van de Kamer uit die periode

en u heeft het antwoord! Elke belangrijke stap in het

afwegings- en besluitvormingsproces van de regering is

indertijd met de Kamer besproken en in brieven aan de

Kamer vastgelegd. De heer Van der Staaij heeft hier

heldere dingen over opgemerkt.

Centraal in de afweging van het toenmalige kabinet

was de herhaaldelijke weigerachtigheid van Saddam

Hoessein om op voldoende wijze mee te werken aan de

uitvoering van resoluties van de Veiligheidsraad. Vanaf

de brief van 4 september 2002 van de minister van

Buitenlandse Zaken is daarbij gesteld dat de bewijslast

bij Saddam Hoessein lag. Hij moest bewijzen dat hij geen

massavernietigingswapens had. Reeds resolutie 687 van

3 april 1991 legt de ’’burden of proof’’ bij Saddam

Hoessein. Dit is later in diverse resoluties bevestigd. Ik

noem resolutie 1284 van 17 december 1999.

Het debat van vandaag heeft geen nieuwe feiten

opgeleverd. In alle transparantie heeft het toenmalige

kabinet de Kamer van alle informatie voorzien, de

achterliggende beweegredenen bekendgemaakt en

inzicht gegeven in de moeilijke afweging waarvoor de

regering zich toen gesteld zag. Uit de weerleggingen van

de ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie

van diverse aantijgingen in de media de afgelopen

weken blijkt zonneklaar dat die niet correct waren.

Uiteraard is in die ingewikkelde periode van augustus

2002 tot en met maart 2003 door de betrokken ministeries

nagedacht, zijn opties verkend en zijn alternatieve

beleidskeuzes doorgeredeneerd. Is er een verbod op het

nadenken van ambtenaren? Mogen zij alleen opschrijven

wat zij denken dat de bewindspersoon wil? Ik hoop dat

de Kamer het met mij eens is dat dat onwenselijk is. Het

parlement is voortdurend op de hoogte gehouden van

beleidskeuzes, achterliggende afwegingen en redeneerlijnen,

zoals die door de regering zijn gevolgd. Het gaat

in de verhouding tussen kabinet en Kamer immers om

de politieke verantwoordelijkheid voor de genomen

beslissingen, iets wat de heer Van Baalen vandaag

glashelder zei, en niet om alle opties die te voren zijn

overwogen. Ambtenaren adviseren, verkennen opties,

bespreken mogelijke redeneerlijnen en ontwikkelen

scenario’s. Maar het is de politiek, de regering, die

beslist en die in de vorm van brieven aan de Kamer het

aldus geformuleerde beleid naar buiten uitdraagt. Op het

gevaar af in herhaling te vervallen: het beleid ten aanzien

van Irak kreeg de steun van de toenmalige Kamer. Het

ging om een politieke keuze, die een- en andermaal in de

Kamer is toegelicht en verantwoord, en waarvoor de

steun van de meerderheid van de Kamer steeds is

verkregen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Ik heb al verwezen

naar 18 maart 2003, toen uzelf in het beslissende

Irak-debat aangaf: de essentie is echter de ontwapening

van een agressor die massavernietigingswapens in zijn

bezit heeft. U hebt toen verwezen naar 10.000 kilo antrax,

allemaal gegevens die op dat moment niet zeker waren.

Hoe hebt u dat kunnen doen?

Minister Balkenende: Ik heb toen opmerkingen gemaakt

over massavernietigingswapens, wat samenhing met het

feit dat er 128 vragen van de heer Blix onbeantwoord

bleven, en dat krachtens resolutie 1441 Saddam

Hoessein wist dat er serieuze consequenties zouden

volgen. Binnen die context was het moment daar om dat

Van Middelkoop

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3248

te doen. De opmerking die ik heb gemaakt over massavernietigingswapens

moet u zien in de context van een

agressor die massavernietigingswapens had, die ze heeft

gebruikt, wat honderdduizenden slachtoffers ten gevolge

heeft gehad, een agressor die buitenlandse wapeninspecteurs

van de VN het land uit heeft gezet, en die

stelselmatig de resoluties van de VN aan zijn laars heeft

gelapt. Ik wijs op oud-Kamerlid Karimi, die al in

september 2002 zei:’’Het debat gaat momenteel over de

aanpak van het regime van Saddam. De vraag is of een

oorlog tegen zijn regime legitiem en effectief is. De

bedreiging die van zijn regime uitgaat op de internationale

veiligheid bestaat uit zijn toegang tot chemische en

biologische wapens. Dat hij die bezit en ontwikkelt, staat

vast. Dat hij de wil heeft om die in een conflict te

gebruiken, is ook bewezen.’’ Ook deze opmerkingen van

mevrouw Karimi staan in het teken van wat er aan de

orde was. De bewijslast lag niet bij ons, maar bij

Saddam Hoessein.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Niemand van ons zal

bestrijden dat Saddam Hoessein heeft bewezen,

massavernietigingswapens te hebben gehad en te

hebben gebruikt. Wij kennen allemaal de verschrikkelijke

moord op de Koerden. Waar het om ging, was dat er op

dat moment een inval zou plaatsvinden, terwijl de

wapeninspecteurs hadden gevraagd om meer tijd, omdat

nog niet was aangetoond dat er op dat moment

massavernietigingswapens waren die konden worden

gebruikt. Dát was de grote vraag. U hebt publiek en

Kamer toen geïnformeerd. Er stond niet vast dat hij ze

niet had, dat ben ik direct met u eens, maar er stond ook

niet vast dat hij ze wel had. U zegt in dit debat: Saddam

Hoessein bezit massavernietigingswapens. Dát is de

informatie die u geeft aan het publiek en de Tweede

Kamer. Dat gebruikt u als argument om politieke steun te

verlenen, en daar zit voor ons de pijn. Dat moet u toch

begrijpen? U zegt dat Saddam massavernietigingswapens

bezit, waarmee u legitimatie zoekt voor politieke

steun, terwijl het beste dat wij op dat moment wisten,

was dat niet aangetoond was dat hij ze niet had.

Minister Balkenende: Het staat in de brief die de

ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie op

18 maart naar de Kamer hebben gestuurd. Over het bezit

van die wapens begon ik met de opmerking: ’’Ja, dat

klopt.’’ Dat was ook in relatie tot de hele voorgeschiedenis,

precies zoals mevrouw Karimi die heeft uitgedrukt. U

moet goed citeren, want daarna komt de bevinding van

Hans Blix, waaruit blijkt dat Saddam Hoessein op 128

vragen geen antwoord heeft gegeven. Die onduidelijkheid,

een tekortschieten in de bewijslast die bij Saddam

Hoessein lag, leidde uiteindelijk tot de vraag welke

consequenties daaraan verbonden zouden moeten

worden. Die eerste zin, die ook in de brief wordt

geciteerd, moet net zoals de opmerking in de brief van

4 september worden gezien vanuit de op dat moment

bestaande kennis van de stand van zaken. Daar ging het

om. Het is waar dat wij geen bewijzen hadden. Die kon

ook Hans Blix niet leveren. Wij hadden echter wel te

maken met een agressor die die wapens had en heeft

toegepast en die geen medewerking heeft verleend. Dat

was aan de orde in de brief van 18 maart en ook in het

debat in de Kamer.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Maar het grote

probleem was dat de agressor op dat moment wel, zij

het onvoldoende, medewerking verleende aan resolutie

1441. Ik kan het er ook nog met u over eens zijn dat dat

niet genoeg was, maar hij verleende medewerking en er

was toegang voor de wapeninspecteurs. Het zou zo

prettig zijn als u één keer zou kunnen erkennen dat de

regering toen te zeker van haar zaak is geweest. U hebt

de presentatie van Colin Powell ’’een solide beschouwing’’

genoemd en u hebt daar nooit afstand van

genomen, hoewel de Amerikanen en de Britten dat wel

hebben gedaan. U hebt toen als argument voor het

verlenen van politieke steun aangevoerd dat er massavernietigingswapens

in het bezit van Saddam Hoessein

waren. Op basis van die informatie moest het Nederlandse

publiek akkoord gaan met politieke steun. U had

die zekerheid niet en dat is dus buitengewoon discutabel.

Daar heb ik echt problemen mee.

Minister Balkenende: De essentie was dat Saddam

Hoessein geen medewerking had verleend aan de

inspecteurs, dat 128 vragen onbeantwoord bleven en dat

Saddam wist dat er sprake zou zijn van ’’serious

consequences’’. De vraag was toen welke consequenties

daaraan moesten worden verbonden. U hebt gelijk dat

daar destijds verschillend over werd gedacht, maar wij

hebben aangegeven dat het voor ons genoeg was. Daar

kun je het mee eens of oneens zijn, maar dat is wel het

debat geweest dat met uw Kamer is gevoerd. Het is waar

dat de VN, de NAVO, de EU en dit parlement gespleten

waren, maar dat is wel de positie geweest die wij

destijds hebben ingenomen. De situatie die ontstond, kan

worden toegeschreven aan de weigerachtigheid van

Saddam Hoessein om werkelijk medewerking te

verlenen. De bewijslast lag niet bij ons, maar bij hem en

er zouden ’’serious consequences’’ komen. Zo is het

gegaan. Met de kennis van nu kunnen wij terugkijken,

maar ik probeer aan te geven wat destijds de motieven

waren. De problemen lagen niet aan onze kant, maar aan

zijn kant.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): De Amerikanen en de

Engelsen hebben achteraf, met de kennis van nu, gezegd

dat men te grote taal heeft gesproken over de massavernietigingswapens

en te veel zekerheid heeft geveinsd,

terwijl er geen zekerheid was. Het zou zo fraai zijn als u

dat één keer zou kunnen erkennen, net als de Amerikanen,

op wie u zich via Colin Powells ’’solide beschouwing’’

baseerde.

Minister Balkenende: Op dit punt verschil ik van mening

met mevrouw Halsema. Ik zal uitleggen waarom. In de

brief van 4 september 2002 van minister De Hoop

Scheffer staat klip en klaar bij wie de bewijslast berustte.

Omdat die bewijslast daar berustte, was dat niet de

essentiële vraag voor ons. De essentiële vraag voor ons

was: wat betekent resolutie 1441? Hoelang geef je een

dictator nog de ruimte en wanneer is het moment om

’’serious consequences’’ te verbinden aan het niet

meewerken? Dat was de essentiële vraag. Wij hebben

steeds gezegd dat je ervoor moet uitkijken dat door dit

type discussie de bewijslast gaat verschuiven van

Saddam Hoessein naar – in dit geval – ons. Dat is voor

de regering steeds de reden geweest om te zeggen: dat

is onze positie geweest. Dat herhaal ik ook nu.

De heer Van Dam (PvdA): Ik begrijp de redenering van

Balkenende

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3249

de minister-president: de bewijslast lag bij Saddam

Hoessein en niet aan onze kant. Desondanks vonden de

Amerikanen en de Britten destijds dat zij wel degelijk

bewijzen moesten leveren. Achteraf hebben wij moeten

constateren dat die bewijzen niet helemaal juist waren;

laat ik het zo maar zeggen. Ik zal de minister-president

niet vragen om het debat te herhalen dat wij de

afgelopen jaren al veelvuldig hebben gevoerd, maar als

hij terugkijkt op de bewijzen die de Amerikanen en de

Britten hebben geleverd, kan hij toch niet zeggen dat zij

de wereld daarmee netjes hebben bediend?

Minister Balkenende: Ik begrijp de vraag van de heer

Van Dam heel goed. Het probleem is dat wij toen niet

over de huidige kennis beschikten. Er was toen een

lacune in onze kennis. Wij hadden te maken met een

agressor die absoluut niet wilde meewerken en die in het

verleden zijn wapeninspecteurs het land uit had gezet.

Dat was de realiteit van 2002 en 2003. Als wij toen de

huidige kennis hadden gehad, was het mogelijk geweest

om veel zaken te voorkomen. Ik erken dat wel, maar het

is niet fair om daarvan uit te gaan. Wij moeten de zaken

van destijds beoordelen aan de hand van het beleid en

de criteria die op dat moment golden.

De heer Van Dam (PvdA): Ik begrijp dat wij de situatie

moeten beoordelen met in het achterhoofd dat wij toen

niet over de huidige kennis beschikten. De kennis van

toen was deels gebaseerd op de beweringen van de

Amerikanen en de Britten over de aanwezigheid van

massavernietigingswapens. Ik begrijp de uitspraak van

de minister-president dat de kennis van toen heeft geleid

tot het oordeel. Hij weet dat wij het niet met dat oordeel

eens waren en dat dat nooit zal veranderen, maar kan hij

terugblikkend niet een oordeel uitspreken over de wijze

waarop de Amerikanen en de Britten destijds hebben

geopereerd? Zij hebben de wereld naar mijn oordeel

toch een beetje bij de neus genomen.

Minister Balkenende: Ik ben van mening dat ik dat

oordeel niet moet uitspreken. Dat raakt immers precies

aan datgene waarop ik zojuist heb gedoeld: met de

kennis van nu is het altijd mogelijk om terug te kijken. Ik

begrijp dat ook, maar overeind blijft dat in het najaar van

2002 de essentie was dat Saddam Hoessein moest

meewerken. Natuurlijk heb ik mij indertijd ook die vraag

gesteld: die 128 vragen waren er wel. Ik kan mij best

voorstellen dat wij achteraf zeggen dat het niet voldoende

was. Als ook Hans Blix ten aanzien van antrax,

VX en andere zaken zegt dat er geen medewerking is

verleend – dat zijn de open vragen – hebben wij daarmee

te maken. De kern van dit debat is de vraag bij wie de

bewijslast lag. Ik vind het lastig om met de kennis van nu

een oordeel te geven over de situatie van toen. Op dat

moment moesten wij een moeilijke afweging maken. Het

is juist dat de meningen verdeeld waren: er was sprake

van een spagaat in het parlement en in de Nederlandse

samenleving. Zojuist heb ik gezegd wat de positie was

van de Nederlandse regering en ik meen dat wij die in de

context van die tijd moeten plaatsen.

De heer Pechtold (D66): Ik waardeer het dat de premier

nu bereid is om iets breder terug te blikken en om toe te

geven dat het wijsheid achteraf is. Ik vind het belangrijk

dat hij zegt dat er op dat moment sprake was van

lacunes. De minister-president heeft ook gezegd dat de

essentie was om een agressor met massavernietigingswapens

te ontwapenen. Ik vraag hem in de meest

vriendelijke vorm of het niet verstandiger was geweest

om daarmee als gemeenschap iets voorzichtiger om te

gaan in plaats van daarvan zonder meer uit te gaan.

Achteraf is immers het bewijs geleverd dat die massavernietigingswapens

er niet waren en de ministerpresident

heeft zojuist gezegd dat er toen lacunes waren.

Minister Balkenende: Dat is een faire vraag. Mijn

redenering gaat echter verder. De heer Van Bommel

schrijft in zijn motie over het reële gevaar dat uitgaat van

het Iraakse wapenprogramma. Wij waren allemaal met

dezelfde worsteling bezig. Daarna komt de redenering

van de onbeantwoorde vragen.

De heer Marijnissen heeft gezegd dat de Nederlandse

inlichtingendienst de regering indertijd heeft gewaarschuwd

voor het feit dat er geen massavernietigingswapens

waren. Daarmee zou nooit iets zijn gedaan. Van

die uitspraak neem ik stellig afstand. Zo lag het niet. Het

is niet de bedoeling dat wij met de kennis van nu de

discussie overdoen en dat wij vervolgens concluderen

hoe het dan zou zijn gelopen. Destijds was er slechts één

persoon die duidelijkheid kon verschaffen en die wist wat

de consequentie was van resolutie 1441, namelijk

Saddam Hoessein.

De heer Pechtold (D66): Wij voeren de discussie niet

opnieuw. Wel doe ik een beroep op het kabinet om te

leren. De Kamer wijst niet met terugwerkende kracht en

met de kennis van nu met een beschuldigend vingertje

naar het kabinet. Zij verzoekt het kabinet om zich open te

stellen om te leren van datgene wat er is gebeurd. Wij

hebben zojuist een scherp debat gevoerd over Iran om te

voorkomen dat dezelfde paden worden bewandeld.

Waarom heeft de minister-president gisteren in de Eerste

Kamer wel de mogelijkheid geboden om een verkennend

onderzoek te doen en waarom biedt hij die niet aan de

Tweede Kamer? Vooraf kan worden afgesproken wat de

spelregels zijn. Dat is ook gebeurd in het kader van het

onderzoek naar de kwestie van Srebrenica. Kan de

minister-president één goed argument geven om dat niet

te doen? Ik wil niet nogmaals de bewijslast als argument

horen.

Minister Balkenende: Ik ben blij dat de heer Pechtold

terugkomt op zijn eerdere opmerkingen. Hij sprak zelfs

van glijden van mijzelf in de Eerste Kamer. Gisteren was

in de Eerste Kamer de vraag aan de orde hoe het zit met

de binding van die Kamer aan een coalitieakkoord en

met de afspraken tussen fracties in de Tweede Kamer.

Een coalitieakkoord bindt de fracties in de Tweede Kamer

en niet de fracties in de Eerste Kamer. Dat geldt voor alle

onderwerpen, inclusief de vraag naar een onderzoek. Ik

heb zuiver willen aangeven dat de rol van de Tweede

Kamer en de Eerste Kamer verschilt. Ik ben geen

voorstander van een onderzoek. Het ging mij om de

politieke en staatsrechtelijke positie van de Eerste Kamer.

De heer Noten heeft in de Eerste Kamer gezegd een

debat te willen over de vraag naar een adequaat

volkenrechtelijk mandaat. Die discussie is ook in de

Tweede Kamer aan de orde geweest. Ik heb gezegd dat

de regering daaraan graag meewerkt. De regering zal de

vragen van de Eerste Kamer beantwoorden. Daarover zal

een debat in de Eerste Kamer plaatsvinden. Dat is geen

kwestie van glijden. Het is een kwestie van zuiver maken

Balkenende

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3250

wat het verschil tussen Eerste Kamer en Tweede Kamer

is.

De heer Van Bommel (SP): De minister-president zei

krachtig afstand te nemen van de uitspraak van

Marijnissen dat de Nederlandse regering wist dat Irak

niet over massavernietigingswapens beschikte. Ik heb

daarover een vraag in eerste termijn gesteld. Ik heb

daarbij verwezen naar uitspraken van de wapeninspecteur

Scot Ritter, die als verbindingsofficier heeft

gediend. Die heeft de Nederlandse inlichtingendienst

geïnformeerd over massavernietigingswapens. Hij heeft

in die gesprekken aangegeven dat Irak eenvoudigweg

niet kon beschikken over massavernietigingswapens. Is

dat laatste juist?

Minister Balkenende: De opmerking van de heer

Marijnissen dat de Nederlandse inlichtingendienst zou

hebben gewaarschuwd dat er geen massavernietigingswapens

waren, is compleet onjuist. Hoe zat het dan met

de intelligence? Ten eerste is er de brief van de minister

van Buitenlandse Zaken van 22 augustus 2003. Daarin

wordt ingegaan op de bronnen die door het kabinet zijn

benut om tot een oordeel te komen. Ten tweede is in de

commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten

bij herhaling gesproken over dit onderwerp. Binnen dit

kader hebben de gesprekken plaatsgevonden. Ik kan niet

zo veel met de opmerkingen van de heer Scot Ritter.

De heer Van Bommel (SP): Scot Ritter is voormalig lid

van het wapeninspectieteam dat ter plekke onderzoek

heeft gedaan. Door de Amerikanen en Nederlanders

werd hij gezien als een belangrijke verbindingsofficier.

Hij beweert de Nederlandse inlichtingendiensten te

hebben geïnformeerd. De minister-president kan dan

toch zeggen of dit wel of niet juist is?

Minister Balkenende: Ik heb zo-even aangegeven hoe

de bewijslast ligt. Over intelligence bestaat de goede

afspraak om het debat te voeren in de commissie voor

de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten. Daarover is eenen

andermaal gesproken. De algemene opvatting van het

kabinet is neergelegd in de brief van 22 augustus 2003.

De heer Van Bommel weet precies wat de oordeelsvorming

is geweest. In dat kader is gedacht en gehandeld.

Bij de afspraken in het coalitieakkoord wijs ik op het

volgende. In de afgelopen jaren zijn negen moties

ingediend die aandringen op een onderzoek naar de

besluitvorming indertijd. Elke keer zijn die moties

verworpen. Voor en na de verkiezingen was er geen

sprake van een meerderheid in de Kamer voor een

onderzoek. Tijdens de formatie moesten de drie partijen

vaststellen dat wij het niet eens konden worden over het

onderwerp. Wij vonden echter dat het nodig was om

afspraken over dit onderwerp te maken. Daarvoor is het

onderwerp te belangrijk. Ik heb vaker toegegeven dat het

beter ware geweest om die afspraak in het coalitieakkoord

te melden. Vanaf het begin is echter duidelijk

geweest dat die afspraak is gemaakt. Daarover is op

geen enkel moment geheimzinnig gedaan. De bij

herhaling uitgesproken visie van een meerderheid van de

Kamer om geen behoefte te hebben aan een onderzoek

naar de gang van zaken bij de besluitvorming indertijd

heeft zijn bestendiging gevonden in de afspraken over

het coalitieakkoord. Het is niet zo dat de regering de

Kamer heeft gebonden. De fracties die de regering

hebben gevormd, hebben hierover een afspraak

gemaakt. Dit is een herhaling van wat ik bij het debat

over de regeringsverklaring heb gezegd. Het is gisteren

ook in de Eerste Kamer aan de orde geweest.

Tot slot refereer ik aan wat de heer Van der Staaij

heeft gezegd. Hij zei zeer terecht dat wij te maken

hebben gehad met een massavernietigingsregime. Wat

gezegd is over de totstandkoming en de besluitvorming

van een kabinet is waar, maar dat kan en mag nooit los

worden gezien van het feit dat er een dictator was die

massavernietigingswapens had en inzette, waardoor

honderdduizenden mensen het leven verloren. Hij was

iemand die stelselmatig resoluties van de Verenigde

Naties aan zijn laars lapte en wapeninspecteurs het land

uitzette. Dat is de realiteit van waaruit is gewerkt. Ik

hecht eraan om dat nog eens in alle duidelijkheid te

zeggen. Internationaal is vervolgens geregeld dat hij zich

diende te committeren aan de uitspraken van de VN

neergelegd in resolutie 1441 en dat de bewijslast aan zijn

kant lag. Die lijn heeft het kabinet steeds naar voren

gebracht. Dat doet niets af aan de verdeeldheid en

moeilijkheid van dit onderwerp. Het onderwerp is

namelijk complex. Op deze manier heeft het kabinet erin

gestaan en zo staat het er nog steeds in.

De heer Van Bommel (SP): Waarom zet de ministerpresident

de afspraak over het niet-houden van een

onderzoek niet alsnog op papier? Als de Eerste Kamer

besluit om een onderzoek uit te voeren, werkt de

Nederlandse regering daar dan aan mee in de zin dat de

ministeries niet op slot worden gegooid en de dossiers

worden geopend?

Minister Balkenende: Ik heb er geen enkele behoefte

aan om een afspraak die destijds mondeling is gemaakt

op papier te zetten. Dat is niet nodig. Die afspraak was

ook niet anders dan: er komt geen onderzoek. Punt.

Ik heb de staatsrechtelijke positie van de Eerste Kamer

aangegeven. Ik zal moeten afwachten wat die Kamer

gaat doen. Ik ga daar niet op vooruitlopen. Overigens is

dat ook een zaak van de Eerste Kamer.

De heer Pechtold (D66): Het is natuurlijk bijzonder dat

De heer Balkenende, minister-president, minister van Algemene

Zaken

© M. Sablerolle – Gouda

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3251

de heer Wijffels een andere bewering deed. Ik ben ook

benieuwd naar waar en wanneer die afspraak is

gemaakt. Ik stel de minister van Algemene Zaken graag

een vraag over de uitspraak van Couzy. Hij is oudbevelhebber

maar op dit moment ook voorzitter van de

Federatie van Nederlandse officieren. Dat zijn actieve

officieren waar hij als voorzitter de spreekbuis van is.

Couzy zegt dat minister Balkenende bang is voor

gezichtsverlies maar dat hij de waarheid niet kan blijven

tegenhouden en er een onderzoek moet komen. De

uitspraken zijn tamelijk stevig – Couzy spreekt ook over

een afdekcultuur – zeker voor een woordvoerder van

Nederlandse officieren. Ik ben het begrijpelijkerwijs

helemaal met Couzy eens, maar ik hoor graag van de

minister van Algemene Zaken, als verantwoordelijke van

het gehele ambtelijke apparaat, hoe hij omgaat met dit

soort kritiek.

Minister Balkenende: Dit zijn de woorden van de heer

Couzy. Ik laat die echt voor zijn verantwoording. Ik heb

aangegeven hoe moeilijk het onderwerp is en wat de

beweegredenen van het kabinet zijn geweest. Meerdere

malen is zeer gemotiveerd over alles gesproken.

Natuurlijk waren de meningen verdeeld, maar het gaat te

ver om een term als ’’de waarheid’’ te gebruiken. Dat zijn

grote woorden. Ik laat die voor zijn rekening. Het kabinet

heeft steeds geprobeerd om verantwoording af te leggen

en aan te geven wat naar de mening van het kabinet

nodig was. Dat is vandaag opnieuw gedaan. Er is

verantwoording afgelegd en dat mag ook van het kabinet

worden verwacht. Dat is hier gebeurd, in vele debatten,

maar ook in de commissie voor de Inlichtingen- en

Veiligheidsdiensten. Het kabinet heeft gedaan wat het

behoorde te doen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Ik ben zo vrij geweest

om de premier een strategisch advies te geven; ik hoor

graag zijn reactie daarop. Ten eerste: als hij niet zelf

openheid van zaken geeft, zal het hem eindeloos blijven

achtervolgen, want journalisten zullen tegels blijven

lichten. Ten tweede: als hij niets te verbergen heeft – hij

is zo zeker van zijn zaak – waarom dan geen volledige

openheid geven?

Minister Balkenende: Ik heb vanmiddag heel goed naar

mevrouw Halsema geluisterd, zoals ik altijd goed naar

haar luister. Ook het debat van vanmiddag maakt eerlijk

gezegd mijn overtuiging nog sterker dat wij met een

onderzoek niet veel opschieten. Het ging niet zo zeer

over wat er precies gebeurd is. Daar zit een duidelijk

verschil in opvatting. Er wordt gekeken met de bril van

nu naar toen. Opnieuw doen wij de discussie over: had

een kabinet destijds die en die stappen mogen zetten?

Wij doen in feite de discussie over. Ik zeg dan: wanneer

er stukken worden gelekt, betreur ik dat zeer. Wanneer

ambtenaren iets hebben gezegd of zeggen iets te hebben

gezegd, heb ik daarmee te leven. Ik vind het ook zeer

terecht dat de minister van Buitenlandse Zaken zei dat hij

hier de Rijksrecherche op gaat zetten.

Het gaat nog verder. Wij kennen een goede regel in dit

land dat bewindslieden worden aangesproken op

verantwoordelijkheid. Mevrouw Halsema weet ook dat

bijvoorbeeld in het kader van de Wet openbaarheid van

bestuur ambtenaren nu juist even geen rol behoren te

spelen, omdat wij behoren te worden aangesproken. Dat

geldt altijd en voor alles; het geldt ook voor dit onderwerp.

Dat is ook de reden waarom ik de positie die ik

heb ingenomen in het verleden, nog steeds hanteer.

De vergadering wordt van 17.45 uur tot 18.00 uur

geschorst.

De voorzitter: Wij gaan door met de tweede termijn van

de Kamer in het debat over het kabinetsstandpunt inzake

Irak. De spreektijd is een derde van de eerste termijn,

dus inclusief moties maximaal drie minuten. Afhankelijk

van wat de regering wil, zal ik haar de gelegenheid

geven om meteen te antwoorden. Indien de regering

langer tijd nodig heeft voor de beantwoording, zal ik

eerst schorsen voor de dinerpauze.

©

De heer Pechtold (D66): Voorzitter. Ik dank de vier

bewindslieden voor hun aanwezigheid en de beantwoording.

De minister-president verschuift in dit debat nog

steeds de bewijslast naar Saddam Hoessein; dat doet hij

vaker in debatten over dit onderwerp. Hij was destijds

heel stellig over de massavernietigingswapens. Was dat

stellige antwoord niet wat voorbarig? De minister van

Buitenlandse Zaken heeft destijds gevraagd om vier

scenario’s met als uitkomst dat er steun voor de oorlog

zou zijn. Is er ook om andere scenario’s gevraagd?

De minister van Defensie gaat de rapporten in de

toekomst nog wel lezen. Hij heeft een probleem met de

voorzitter van de officieren, de heer Couzy. Ik heb zojuist

contact opgenomen met onze zusterpartij in Denemarken,

Radikale Venstre. In het Deense parlement zullen

vragen worden gesteld over de Deense inlichtingendienst

en het rapport waarover wordt ontkend dat daarin over

Nederland wordt gesproken in vorm zoals ik zojuist

veronderstelde in mijn vraagstelling.

Ik heb een berg vragen gesteld over de militaire

betrokkenheid van de Walrus. Het antwoord is telkens:

Irak behoorde niet tot de taakomschrijving van de OEF. Is

er buiten de OEF-taakomschrijving om door Nederlandse

militairen gewerkt aan de aanval op Irak? Ik haak aan op

de vraag van de heer Van Dam: is er in enige periode,

niet alleen in of boven Irak maar ook in de Golf, sprake

geweest van Nederlandse betrokkenheid bij de voorbereiding

van de oorlog met Irak? De minister raadde mij

aan op er een kaart bij te pakken van de regio. Ik wijs

hem erop dat op die kaart valt te zien dat Afghanistan

niet aan zee ligt. Weet de minister van Defensie welke

informatie de Amerikanen hebben verzameld met de

Walrus? Weet hij precies wat er met die informatie is

gedaan? Hoe luidde het specifieke verzoek van de VS om

vier afluisteraars aan boord te krijgen van een Nederlandse

onderzeeër?

Het Deense inlichtingenrapport spreekt over ’’attached

NL forces’’. De minister zegt niet verantwoordelijk te zijn

voor dat rapport, maar hij heeft niet ontkend dat

Nederlanders met Denen in Noord-Irak hebben samengewerkt.

Kan hij dit uitsluiten?

De minister is vast ook niet verantwoordelijk voor de

anonieme Britse bron die ons bericht dat Nederland

betrokken was bij de voorbereidingen voor het tweede

front. Kan hij uitsluiten dat Nederland, onder welke vlag

dan ook, daarbij betrokken was?

Het verhaal van de persconferentie sla ik omwille van

de tijd maar over, omdat ik Irak op dit moment belangrijker

vind. Niet alleen heeft de PvdA het parlementair

Balkenende

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3252

onderzoek naar Irak weggegeven, vandaag is ook een

tweede wens van deze partij uitgehold. De minister sluit

namelijk niet uit dat zonder VN-resoluties een inval in

Iran wordt gesteund. Het is een aardig debat om te

bezien of dit gewenst is, maar dat zullen wij niet op dit

moment voeren. Duidelijk is dat de PvdA ook op dit punt

heeft moeten inleveren. Ik vermoed dat de heer Van Dam

daar nog wel op terugkomt in zijn termijn.

De regering heeft het licht vandaag niet aangedaan; ik

tast nog steeds in het duister. Ik heb echter wel een idee

hoe het is gegaan. De Amerikanen wilden oorlog en de

regering vond het in het belang van Nederland om hen

te steunen. Nederland was betrokken bij de OEF, wat in

de praktijk neerkwam op betrokkenheid bij de voorbereiding

van de oorlog in Irak. Door een breuk in de regering

werd echter rekening gehouden met een nieuwe coalitie

met de PvdA. Daarom werd de politieke variant gekozen,

waarbij de militaire steun werd stopgezet. Internationaalrechtelijk

was het niet meer of minder legitiem dan het

grijze gebied waarin wij nu zitten. Het was onze

democratie ten goede gekomen als er een transparant

onderzoek naar was uitgevoerd. Wij weten veel dingen

nog steeds niet zeker, maar vroeg of laat komt dat

onderzoek er. Anders krijg ik dat beeld voor mij van die

Irakese minister van communicatie die maar stond te

vertellen dat er niets aan de hand was, terwijl de

achtergrond toch wat anders bewees.

De heer Van Dam (PvdA): In een eerder stadium trok de

heer Pechtold nogal een grote broek aan over de

volledigheid en juistheid van de informatievoorziening

aan de Kamer. Hij deed dat in eerste termijn, maar niet

alleen hier in de Kamer. Ik heb verteld hoe hij ongeveer

reageerde op de uitzending van Reporter. Ik hoor de heer

Pechtold op dit moment niets concluderen over de

volledigheid en juistheid van de informatievoorziening

aan de Kamer. Daaruit trek ik de conclusie dat de heer

Pechtold op dit moment dus niet concludeert dat de

Kamer onjuist of onvolledig is geïnformeerd.

De heer Pechtold (D66): Voor de zoveelste keer is de

PvdA-fractie ietwat voorbarig. Dit is de tweede termijn en

ik had nog een hele lijst met vragen. Maar u was al vóór

het debat overtuigd. U verweet mij in eerste termijn dat

ik hier in korte broek sta. U verwijt mij een beetje vuil

onder de nagels te hebben, terwijl u zelf tot over uw

oren in de problemen zit.

©

De heer Van Baalen (VVD): Voorzitter. In mijn eerste

termijn sprak ik over vertrouwen en vertrouwelijkheid. De

VVD-fractie concludeert dat in dit debat duidelijk is

geworden dat er meer vertrouwen in het beleid van dit

kabinet en de voorgangers ten aanzien van de zaak Irak

is gekomen, dan er was. De PvdA-fractie concludeert nu

namelijk ook dat er sprake was van adequate informatievoorziening

op basis van de stand van zaken van nu. Dat

is belangrijk. Het vertrouwen in het gevoerde beleid is

dus gestegen.

Er zijn vele vragen afgevuurd op deze bewindslieden

en zij zijn bereid gebleken ’’ja’’ en ’’nee’’ te zeggen.

Gevraagd naar de rol van een onderzeeër, wordt er

kraakhelder gezegd dat deze niet betrokken is geweest bij

Iraqi Freedom. Met betrekking tot de inzet van F-16’s en

andere militaire inzet, wordt kraakhelder gezegd dat er

geen inzet heeft plaatsgevonden ten bate van de

voorbereiding of uitvoering van Iraqi Freedom. Hoe

duidelijk kun je zijn? Als je als Kamerlid dan zonder een

greintje bewijs, zoals een duidelijke verklaring van een

persoon en geen anonieme reactie, toch in twijfel trekt

wat de regering antwoordt, dan werk je mee aan het

wantrouwen van de burger ten opzichte van de politiek.

Dat mag je als Kamerlid niet doen. En dat gebeurt hier,

omdat kraakheldere antwoorden zonder tegenbewijs in

feite niet worden aanvaard.

De heer Pechtold (D66): Wij waren gelukkig met zijn

vieren en mevrouw Thieme deed mee. Derhalve heb ik

zojuist acht pogingen gehoord om minister Van

Middelkoop zo ver te krijgen om een uitspraak te doen

over de Walrus. U hoorde daarover zo’n kraakhelder

antwoord. Ik heb hem niet horen zeggen dat de

onderzeeër niet is ingezet voor Iraqi Freedom. Hij zei dat

de taak OEF was. Tot acht keer toe zei hij niet gewoon

dat de onderzeeër niet is ingezet ter voorbereiding van

Irak. Dat is heel vervelend voor een voorzitter, want dat

leverde mij twee interruptiekruisjes op achter mijn naam.

Als de minister dadelijk toch antwoord geeft, kan ik weer

een vraag afstrepen. Voor mij blijft deze vraag op dit

moment open.

De heer Van Baalen (VVD): Dan moet u de Handelingen

erop naslaan. Ik vind dat de minister van Defensie wel

duidelijk was. Kijkt u de Handelingen na en dan zult u

ongetwijfeld een gelegenheid vinden om wederom een

debat te entameren. Dat is een recht van een Kamerlid. Ik

vind echter dat je het moet durven erkennen als de

regering duidelijk is.

De heer Van Bommel (SP): Ik ken de heer Van Baalen al

wat langer.

De heer Van Baalen (VVD): Wat wilt u daarmee zeggen?

De heer Van Bommel (SP): Ik vraag mij ook wel eens af

wat dat betekent. Ik ken het niet van de heer Van Baalen

dat hij collega’s de maat neemt als het eigenlijk gaat om

een verschil in beoordeling. De antwoorden van de

regering worden door ons allen beoordeeld. De heer Van

Baalen zegt dat de antwoorden kraakhelder waren. Hij is

daarmee tevreden. Gezien zijn zeer summiere inbreng in

eerste termijn kan ik mij dat ook wel voorstellen, want hij

had niet zo veel te vragen. Anderen hebben echter zeer

gedetailleerde vragen gesteld. Het is dan toch het goed

recht van Kamerleden om ontevreden te zijn over de

beantwoording en te zeggen dat zij nog ruimte in die

beantwoording zien die zij opgevuld willen zien door het

kabinet? Dat is mijn positie.

De heer Van Baalen (VVD): Voorzitter. Als Kamerleden

mogen wij ook elkaar de maat nemen. Ik meen zelfs dat

wij dit moeten doen. Wij moeten kritisch over elkaars

optreden durven te zijn. Waarom zouden wij dat niet

doen? Ik concludeer dat de regering al jaren duidelijk is

en keer op keer antwoord geeft. Wanneer je dan geen

bewijs kunt presenteren, moet je als Kamerlid ook een

keer weten te stoppen. Ik noem het voorbeeld van de

Argos-uitzending. De regering heeft hierover helder

geantwoord. Totdat de heer Van Bommel met het bewijs

van het tegendeel zou komen, is deze zaak naar mijn

mening afgedaan.

Pechtold

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3253

De heer Van Bommel (SP): Daarover verschillen wij van

mening omdat zowel de schriftelijke beantwoording van

de regeren als de beantwoording die de minister van

Defensie zojuist heeft gegeven ruimte laat. De minister

kan niet garanderen dat Amerikanen die aan boord van

de Walrus waren, niet ook inlichtingen hebben verzameld

die is gebruikt bij de voorbereiding van de inval in Irak.

De heer Van Baalen kan dat dus al helemaal niet.

De heer Van Baalen (VVD): Het gaat erom wat deze

regering en ambtenaren in opdracht van deze regering

hebben gedaan. Daarvan neemt de VVD-fractie de maat.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): De lijn van de heer Van

Baalen lijkt heel sterk op de lijn die de VVD-fractie

destijds hanteerde ten aanzien van Srebrenica. De VVD

heeft altijd tegengehouden dat een onderzoek plaatsvond.

Is de heer Van Baalen van mening dat parlementair

onderzoek pas mag plaatsvinden of een parlementaire

enquête pas mag worden gehouden nadat de

Kamer alle bewijs heeft geleverd?

De heer Van Baalen (VVD): Ik ben van mening dat er

een onderzoek of enquête komt als een Kamermeerderheid

zich daarvoor uitspreekt. Elke fractie moet beoordelen

of zij redenen heeft om een enquête te willen

instellen. Mijn fractie heeft daartoe op dit moment geen

enkele reden, zeker niet na de beantwoording van de

vragen die vandaag zijn gesteld.

Van het vertrouwen dat, gezien de positie van de

PvdA-fractie, in dit debat is gegroeid, kom ik vervolgens

op het onderwerp van de vertrouwelijkheid. Ik bespeur

een Kamermeerderheid die van mening is dat je er heel

zuiver en helder over moet zijn dat je niet alles op tafel

kunt leggen. Je kunt niet elke vingeroefening van

ambtenaren delen en je moet voorzichtig zijn met

inlichtingen uit buitenlandse bronnen om Nederland, de

Nederlandse burgers of de Nederlandse militairen in

Uruzgan niet te schaden.

Gezien de opstelling van de Partij van de Arbeid stel ik

vast dat een grotere meerderheid dan voorheen deze

visie van de regering onderschrijft. De VVD hoopt dat

volgende debatten over Irak zullen gaan over de

toekomst van het land, zoals ook collega Wilders zei. Dit

land bevindt zich in grote problemen, maar is niet

reddeloos verloren. Laten wij ons concentreren op het

vinden van een oplossing voor deze problemen.

©

De heer Wilders (PVV): Voorzitter. Ook mijn fractie kan

heel kort zijn. De antwoorden van het kabinet op dit

dossier waren boven de maat. Voor de afwisseling is het

aardig om dat te kunnen zeggen. De fractie van de PVV

acht het, zoals ook collega Van Baalen al zei, verstandig

om dit dossier nu te sluiten en onze aandacht te richten

op de grote problemen die vandaag de dag in het

Midden-Oosten spelen. Deze behoeven ons aller

aandacht.

Ik ben daarom blij dat de discussie over Irak de

discussie over het volgende mogelijke probleem, Iran,

niet gijzelt. Wij moeten onze ogen openen voor het feit

dat niet kan worden uitgesloten dat op een gegeven

moment ook tegen Iran militaire actie zal moeten worden

ondernomen. Dat moeten wij niet doen in James

Bond-termen, maar in een reëel scenario. In het

regeerakkoord staat dat Nederlandse troepen zonder

VN-mandaat niet zullen deelnemen aan militaire acties.

Er staat niet dat Nederland geen politieke steun zou

kunnen verlenen aan acties zonder VN-mandaat. Ook

mijn fractie acht een VN-mandaat absoluut te prefereren,

maar wij sluiten niet uit dat het mogelijk moet zijn in een

coalition of the willing of een ander verband tot actie

over te gaan. De winst van het debat dat wij vandaag

hebben gevoerd, is dat de minister van Buitenlandse

Zaken dit namens de regering heeft bevestigd. Hij heeft

niet uitgesloten dat Nederland politieke steun geeft aan

een militaire operatie van een coalition of the willing of

een individueel land zonder VN-mandaat. Dit speelt nog

niet op dit moment, en laten wij hopen dat het nooit zo

ver zal komen. Dat is de winst van dit debat. De historie

rond Irak gijzelt niet een eventueel volgend drama,

waarvan wij, nogmaals, hopen dat het nooit plaatsvindt.

Dat is vandaag de belangrijkste conclusie.

©

De heer Van der Staaij (SGP): Mevrouw de voorzitter.

Het uitgebreide debat dat wij ook vandaag weer over Irak

hebben gevoerd heeft, vriendelijk gezegd, veel herkenbaars

opgeleverd, in het licht van eerdere debatten, zoals

op 18 maart 2003 en 8 augustus 2003. Minder vriendelijk

gezegd was het een volstrekte herhaling van zetten op

onderdelen. Ik denk dan aan de juridische discussie. Er

werden af en toe ook wel wat walrussen op laag water

gezocht.

In ieder geval bevestigt het debat ons in de overtuiging

dat op goede gronden tot politieke steun is

gekomen. Er is geen enkele aanleiding om te veronderstellen

dat de Kamer onjuist of onvolledig is ingelicht.

Laten wij wel zijn, een parlementair onderzoek is niet de

enige manier waarop de Kamer controle op de regering

kan uitoefenen. Dat is ook gebeurd door de veelheid van

vragen die de afgelopen jaren op de regering is

afgevuurd. Naar het oordeel van een meerderheid in de

Kamer, waartoe ik mij graag reken, zijn die helder en

bevredigend beantwoord.

Wij moeten zeker onze lessen blijven leren, heel graag

toekomstgericht. Wat ons betreft, kan dat toekomstgericht

lessen trekken uit het verleden nog wel eens een

kwaliteitsimpuls gebruiken. Ik denk aan de discussie over

de grenzen van het preëmptief optreden. Wij hebben

daarover een rapport gehad van de Adviesraad

Internationale Vraagstukken. Het lijkt ons heel nuttig om

dat soort discussies te blijven voeren en niet te blijven

steken in details van de gang van zaken in het verleden.

Over Iran is een bijna nog interessanter debat je

gevoerd, in aansluiting op wat daarover gewisseld is ter

voorbereiding van de Razeb. Het is nuttig dat is komen

vast te staan dat de huidige resolutie van de Veiligheidsraad

geen basis biedt voor geweldstoepassing ten

opzichte van Iran. Wij kunnen echter nooit op voorhand

uitsluiten dat er op een andere basis een volkenrechtelijk

mandaat gevonden kan worden, hoewel dat ook voor

mijn fractie niet wenselijk is. Als één ding wel wenselijk

is, is het dat aan het adres van Iran gecommuniceerd

blijft worden dat ook voor Iran zeer negatieve gevolgen

dreigen op het moment dat het niet doet wat in

redelijkheid mag worden verwacht. Daarbij moeten alle

opties open zijn.

Wij hebben de minister van Defensie gevraagd hoe het

zit met verzoeken die de Nederlandse regering krijgt tot

Van Baalen

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3254

deelname van Nederlandse troepen aan militaire

operaties die niet gehonoreerd worden. Wij hebben

geconcludeerd dat het verstandig zou zijn daar op een

later moment op terug te komen, ook in het licht van het

werk van de werkgroep uit de Kamer die zich heeft

gebogen over de toepassing van artikel 100. Ik heb

begrepen dat dit breder in de Kamer leeft. Ik verzoek de

minister ter voorbereiding van een debat daarover een

brief te sturen over de manier waarop met dit soort

verzoeken wordt omgegaan. Wij kunnen dan goed

voorbereid debatteren.

©

Mevrouw Van Gennip (CDA): Voorzitter. De regering

heeft, wederom kan ik wel zeggen, uitgebreid geantwoord

op onze vele vragen, waarvoor dank. Zij heeft niet

alleen de Kamer correct geïnformeerd, maar zij heeft

haar ook heel uitgebreid geïnformeerd. Wij kunnen

constateren dat de redenen van destijds om politieke

steun te verlenen vandaag nog steeds valide zijn en

gedeeld worden in de Kamer.

Wat ons betreft was het debat over Irak een herhaling

van zetten. Er is één nieuw inzicht, door de discussie die

de heer Van der Staaij begon, over het toetsingskader.

Wat doe je met de niet gehonoreerde verzoeken? Wij

ondersteunen graag het verzoek van de heer Van der

Staaij om daarover verder te spreken op basis van een

nadere analyse van het kabinet voordat wij beginnen aan

de discussie in het kader van de commissie-Van Baalen.

De situatie in Irak is en blijft zeer zorgelijk. Wat onze

fractie betreft, moet alle energie daarop gericht zijn en

zouden wij een hele middag moeten debatteren over de

vraag hoe wij daarmee verder moeten. Irak heeft een

toekomst op het moment dat wij ons ermee bemoeien

en er actief mee bezig zijn. Wij moeten positief reageren

op vragen van de Irakese regering. Dat betekent echter

ook dat wij niet meer naar het verleden moeten kijken

maar naar de toekomst van Irak.

Er zullen nog vele debatten volgen over dit onderwerp.

Op dit moment zou ik de regering willen vragen om de

Kamer vooraf en achteraf te informeren over de

Nederlandse inzet bij de UNHCR-conferentie en hoe

Nederland daaraan proactief een echte impuls geeft.

©

De heer Voordewind (ChristenUnie): Mevrouw de

voorzitter. Ik dank de ministers voor de uitgebreide en

overtuigende beantwoording. In aanvulling op de brief

van 2 april is nog eens expliciet gesteld dat de bemanning

van de onderzeeër geen deel had aan de voorbereidingen

van de oorlog in Irak. Explicieter kan het volgens

mij niet. De F-16’s, de special forces, alles wat bij de

verschillende programma’s aan de orde is geweest, is

langsgekomen. Het antwoord heeft mij overtuigd. Ik kan

zeggen dat ik het volle vertrouwen heb in de afwegingen

die staan in de brief van 2 april.

Ik heb in mijn eerste termijn vooral gekeken naar de

toekomst van Irak. Ik heb gesproken over het initiatief

van Hamilton en Baker. Ik heb van de minister van

Buitenlandse Zaken begrepen dat er snel vorderingen

gemaakt zullen worden om tot een verzoening te komen,

alsmede tot een rechtvaardige verdeling van olieinkomsten.

Dat geeft ons vertrouwen in de toekomst.

Ik dank de regering voor de toezegging druk uit te

oefenen op Jordanië en Syrië om de hulporganisaties

vrije toegang tot de Irakese vluchtelingen te verlenen en

deze organisaties niet te beperken in hun bewegingsvrijheid.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): De heer Voordewind en

mevrouw Van Gennip spreken over het initiatief van

Hamilton en Baker alsof dat aanvaard is. President Bush

heeft dit echter verworpen. Daarvan is op dit moment

dus weinig goeds te verwachten.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Dat initiatief bevat

wel degelijk elementen die wij nu al terugzien in

initiatieven die ondernomen worden in het Midden-

Oosten. Er werd bijvoorbeeld aanbevolen om Iran en

Syrië nauw te betrekken bij de oplossingen in Irak. Er zijn

nog meer elementen ter hand genomen.

Ik heb begrepen dat er nog een brief naar de Eerste

Kamer gaat over de term volkenrechtelijk mandaat. Ik

zou het zeer op prijs stellen als de Tweede Kamer die

informatie ook mag ontvangen, zodat ook deze Kamer

verder kan spreken over de vraag wat er precies moet

worden verstaan onder een volkenrechtelijk mandaat.

©

De heer Van Dam (PvdA): Voorzitter. Ik dank de

bewindslieden voor de beantwoording. Ik was het met

die beantwoording niet altijd eens, maar dat zal niemand

verbazen. Ik dank de minister van Defensie voor de zeer

heldere beantwoording van mijn vraag of tussen

20 maart 2003 en 22 mei 2003 Nederlandse militairen op

of boven Irakees grondgebied zijn geweest. Zijn

antwoord was duidelijk nee en dat laat gelukkig geen

ruimte voor interpretatieverschillen.

De verschillen van inzicht tussen de toenmalige

regering en mijn fractie over het verlenen van politieke

steun blijven bestaan. Die steun had wat ons betreft niet

moeten worden verleend, maar dat mag onderhand

helder zijn.

De minister-president zei in dit debat iets belangrijks

en in mijn ogen ook iets nieuws. Ik ben hem zeer

erkentelijk voor het feit dat hij op mijn interruptie zei dat

hij terugkijkend en met de kennis van nu destijds

mogelijk tot andere oordelen had kunnen komen. Ik

waardeer die oprechtheid van de minister-president.

Natuurlijk waren en zijn wij het oneens over de

beslissing om politieke steun te verlenen, maar laten wij

nu de blik naar voren richten. Laten wij ervoor zorgen

dat wij niet nog eens in zo’n situatie terechtkomen.

Mevrouw Van Gennip (CDA): Ik heb de ministerpresident

niet horen zeggen dat hij met de blik van

vandaag destijds wellicht tot een ander oordeel zou zijn

gekomen. Ik heb hem horen zeggen dat je de situatie

toen moest bekijken door de bril van toen.

De heer Van Dam (PvdA): Dat heb ik ook gehoord.

Misschien moeten wij het stenogram er maar op na

lezen. Ik was heel blij met de opmerking, maar misschien

heb ik mij enorm vergist. Ik meen evenwel van de

minister-president gehoord te hebben dat als je met de

kennis van nu terugkijkt, je best tot een ander oordeel

had kunnen komen. Daar lijkt mij niet zoveel mis mee.

Hij heeft inderdaad duidelijk aangegeven dat je destijds

Van der Staaij

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3255

moeilijk de zaak met de kennis van nu had kunnen

beoordelen.

Mevrouw Van Gennip (CDA): Dat heb ik niet gehoord.

De heer Van Dam (PvdA): Dan moet het stenogram

maar uitkomst bieden of de minister-president moet zelf

maar zeggen wat juist is. Dat zullen wij dan straks wel

horen. Ik zou het in elk geval een zeer gezonde constatering

vinden. Voor mij is nu het vooruitkijken belangrijker

dan het terugkijken.

Voor mijn fractie is militair ingrijpen slechts denkbaar

in drie situaties: 1. als sprake is van humanitaire nood,

bijvoorbeeld in het geval van een gaande of dreigende

genocide, 2. als sprake is van een acute dreiging die

noodzaakt tot zelfverdediging en 3. als sprake is van een

expliciet mandaat van de Veiligheidsraad. In andere

situaties wordt dus niet ingegrepen. Hiermee geef ik aan

wat mijn fracties verstaat onder een adequaat

volkenrechtelijk mandaat.

De heer Van Baalen (VVD): De minister van Buitenlandse

Zaken was ook heel helder over mandaten. Nu

geeft u uw eigen interpretatie, maar sluit u zich niet

gewoon aan bij de woorden van de minister van

Buitenlandse Zaken? Hij vond dat voor militair ingrijpen

bij voorkeur een mandaat van de Veiligheidsraad nodig

is. Er zijn ook andere mogelijkheden. Hij noemde

Kosovo. Probeert u nu met een eigen interpretatie te

komen of sluit u zich gewoon aan bij de woorden van de

regering?

De heer Van Dam (PvdA): Als u het goed vindt, kom ik

aan het eind van mijn betoog terug op de kwestie Iran. Ik

vind namelijk dat de minister van Buitenlandse Zaken op

dat punt niet de duidelijkheid gaf waarom ik, ook bij

interruptie, heb gevraagd. Het mag duidelijk zijn dat in

alle situaties een resolutie van de Veiligheidsraad de

voorkeur heeft. Ik heb twee situaties aangegeven waarin

die wat mijn fracties betreft niet noodzakelijk is, namelijk

wanneer sprake is van humanitaire nood bij een gaande

of dreigende genocide en wanneer een acute dreiging

noodzaakt tot zelfverdediging. Dat is volgens mij

conform het Volkenrecht.

De heer Van Baalen (VVD): Er is dus op dit terrein geen

licht tussen het standpunt van uw fractie en dat van de

regering.

De heer Van Dam (PvdA): Als dat uw conclusie is, ben ik

daar heel blij mee. Ik heb op basis van de eerste termijn

die nog niet helemaal getrokken. Hopelijk kunnen wij die

aan het eind van de tweede termijn overduidelijk trekken.

Mevrouw Van Gennip (CDA): Wat vindt u dat Nederland

moet doen als Spanje wordt aangevallen?

De heer Van Dam (PvdA): Dat is toch een NAVObondgenoot?

Mevrouw Van Gennip (CDA): Precies. En dat valt

volgens u onder uw tweede voorwaarde: zelfverdediging?

De heer Van Dam (PvdA): Ja, zelfverdediging. Daarvoor

mag je toch de hulp van bondgenoten inroepen?

Mevrouw Van Gennip (CDA): Dus ter verheldering:

bondgenootschappelijke hulp is ook een van uw

voorwaarden?

De heer Van Dam (PvdA): Dat is zelfverdediging.

Mevrouw Van Gennip (CDA): Dan kom ik bij mijn

tweede vraag; die is veel moeilijker. Gesteld dat de

Veiligheidsraad bijeenkomt en één van de leden een

resolutie tegenhoudt om ergens in te grijpen. Het is een

bevriend land van een agressor. Wat stelt u dan voor?

De heer Van Dam (PvdA): Volgens mij heb ik helder

uiteengezet in welke situaties je buiten de Veiligheidsraad

om zou kunnen en in andere situaties dus niet.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): De heer Van Dam stelt

drie voorwaarden aan militair ingrijpen door Nederland.

Gelden die drie voorwaarden ook voor het verlenen van

politieke steun aan het militair ingrijpen door bijvoorbeeld

een derde land?

De heer Van Dam (PvdA): Ik waardeer het ongeduld van

mevrouw Halsema. Ik was nog niet op dat punt, maar

het antwoord is ’’ja’’.

De heer Van Bommel (SP): Omdat de minister van

Buitenlandse Zaken met dat voorbeeld kwam, wil ik dat

ook aan de heer Van Dam voorleggen. Hij schetst hier

drie routes. In welke route valt Kosovo?

De heer Van Dam (PvdA): Volgens mij de eerste:

humanitaire nood, genocide.

De heer Van Bommel (SP): Genocide was daarbij niet

aan de orde, niet in het internationale debat en niet in de

Kamer. Het genocideverdrag van 1948 is glashelder over

genocide. De Nederlandse regering heeft het argument

genocide niet gebruikt en de PvdA-fractie heeft dat niet

gebruikt, dus dat klopt niet. Misschien moet u toch nog

maar eens terug naar het standpunt van de PvdA in die

dagen.

De heer Van Dam (PvdA): Het juridisch oordeel zou wat

dit betreft kunnen verschillen van het politieke oordeel. Ik

heb gezegd ’’humanitaire nood’’. Dat is wat ons betreft

breder dan het strikte genocidebegrip.

De heer Van der Staaij (SGP): Moeten wij vaststellen

dat de politieke verschillen over de vraag wanneer

sprake is van een voldoende volkenrechtelijk mandaat

blijven bestaan, ook met de tekst van het regeerakkoord?

De heer Van Dam (PvdA): Volgens mij geeft de tekst van

het regeerakkoord helderheid over de vraag wanneer

Nederlandse militairen worden ingezet. Dat staat in het

regeerakkoord. Op dit moment en ongetwijfeld ook in

een later stadium hebben wij het debat over andere

situaties. Zoals u merkt, voorzitter, was ik bezig daar op

dit moment invulling aan te geven.

De voorzitter: Er rest u nog een halve minuut om dat te

doen.

De heer Van Dam (PvdA): Dat moet lukken.

Van Dam

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3256

Ik heb aangegeven dat mijn fractie die drie voorwaarden

hanteert voor een adequaat volkenrechtelijk

mandaat, dat volgens het regeerakkoord noodzakelijk is

voor de inzet van militairen en in onze ogen ook voor het

verlenen van politieke steun. Wij verwachten dat de

regering deze lijn ondersteunt en vragen haar een en

ander verder uit te werken. Wij nemen ook aan dat de

regering langs deze lijnen de situatie in Iran beoordeelt.

Derhalve kan wat mijn fractie betreft een aanval op Iran

zonder expliciet VN-mandaat door de Nederlandse

regering politiek noch militair worden gesteund. Maar

laten wij oprecht hopen dat die vraag niet op het bord

van de regering terecht zal komen.

De heer Van Baalen (VVD): Behalve als er sprake is van

een humanitaire noodsituatie of een acute dreiging, zoals

u heeft gezegd. Dan verbreedt u het.

De heer Van Dam (PvdA): Ik heb helder uiteengezet wat

onze voorwaarden zijn. Ik heb in eerste termijn ook

uitgelegd dat er in Iran weliswaar sprake is van een

zorglijke ontwikkeling, maar niet van een acute dreiging.

Zoals u weet, heeft de heer ElBaradei helder aangegeven

dat er nog jaren verstrijken voordat Iran daadwerkelijk

over een kernbom beschikt.

De heer Van Baalen (VVD): Maar met de kennis van nu

sluit u die twee andere mogelijkheden niet uit?

De heer Van Dam (PvdA): Als die zich zouden voordoen,

sluit ik dat niet uit.

De heer Pechtold (D66): U heeft geen vragen meer

gesteld over het deel Irak. Daarom wil ik aan u vragen

datgene wat u zojuist aan mij vroeg, namelijk of u de vrij

heldere conclusie van de heer Van Baalen wilt bevestigen

dat uw fractie geen enkele vraag meer heeft over het

verleden en de oorlog in Irak en dat de verzoeken die u

toentertijd altijd heeft ondersteund vandaag in het debat,

door ons aangevraagd, zijn opgelost en dat u dus niet

meer met vraagtekens blijft zitten.

De voorzitter: Ik sta een kort antwoord toe, want ik vind

zelf dat dit al een aantal keren aan de orde is geweest.

De heer Van Dam (PvdA): Ik vind het niet erg om te

reageren op de bijdrage van de heer Van Baalen. Dat is

namelijk wat de heer Pechtold mij vraagt. De heer Van

Baalen draait in mijn ogen de vertrouwensregel om. De

vraag aan de Kamer is nooit of zij van mening is dat zij

juist en volledig is geïnformeerd, want dat kan de Kamer

nooit beoordelen. De Kamer kan slechts beoordelen of zij

onjuist dan wel onvolledig is geïnformeerd. In eerste

termijn heb ik al gezegd dat daar met de kennis van nu

geen sprake van is.

©

De heer Van Bommel (SP): Voorzitter. De regering stelt

dat tijdens de brainstormsessie van 9 augustus 2002 al is

vastgesteld dat er voldoende juridische basis was voor

militair optreden tegen Irak. Die discussie wordt op

19 augustus, wanneer ik daar vragen over stel, voorbarig

genoemd. Die discussie is niet voorbarig en de ministerpresident

vond die discussie ook niet voorbarig. Immers,

hij heeft die discussie gevoerd. De minister-president kan

zijn gelijk bewijzen door het verslag van die brainstormsessie

openbaar te maken. Maar juist door dat niet te

doen, geeft hij er heel veel betekenis aan. De ministerpresident

doet alsof het verslag van een brainstormsessie

staatsgeheim is en daarmee laadt hij de verdenking

op zich dat hij er zelf ook anders over denkt.

In november 2002 komt er een brief van de Amerikanen.

Het eerste deel ervan is duidelijk: het gaat over de

overvliegvergunningen, de Patriots en andere kwesties.

Over het tweede deel zegt de minister-president dat de

Amerikanen daarover met hem in contact wilden blijven.

Dat is flauwekul. Zij wilden niet contact blijven – de

minister-president staat altijd met de Amerikanen in

contact en zij met ons, en dat is goed – zij wilden

daarover discussiëren. De minister-president zal er een

antwoord op gegeven hebben. Dat antwoord mag de

Kamer niet weten. Ik roep de minister-president op, ook

op dit punt zijn gelijk te bewijzen. Hij moet aantonen dat

ik ongelijk heb. Hij moet laten zien wat hij schriftelijk aan

de Amerikanen heeft geantwoord. Ik hoor nu de woorden

’’helemaal niks’’ uit vak-K, maar dat lijkt mij niet waar.

Immers, de minister-president heeft in ieder geval op het

eerste deel geantwoord. Dat zal hij ook schriftelijk

hebben bevestigd; het is geen kwestie van een telefoontje:

het komt wel goed.

Ik kom op de aanval op Iran. De minister van

Buitenlandse Zaken herhaalt wat hij in het algemeen

overleg heeft gezegd. Een aanval op Iran noemt hij een

James Bondscenario. Nou, dat is het allerminst. Ik daag

de minister uit om eens te gaan praten met de Amerikaanse

en Israëlische ambassadeur. Zij zeggen heel

andere dingen. Kennelijk is hij daarvan niet op de

hoogte. Ik zou zeggen: verdiep en verbreed uw kennis op

dit punt.

De voorzitter: U heeft nog een halve minuut.

De heer Van Bommel (SP): Over het volkenrechtelijk

mandaat zegt de fractievoorzitter van de PvdA in het

debat naar aanleiding van de regeringsverklaring: ’’Ons

belangrijkste argument om dit verlies maar te nemen, is

dat wij hebben geregeld dat er altijd moet worden

voldaan aan het vereiste van een volkenrechtelijk

mandaat voordat Nederland aan een militaire operatie

deelneemt.’’ Hij koppelt dat aan het niet doorgaan van

een onderzoek naar Irak. De uitleg van de minister van

Buitenlandse Zaken hier is dat dat niet per se nodig is.

De PvdA heeft een onderzoek weggegeven om dit binnen

te halen, terwijl het een kat in de zak blijkt te zijn. Ik zou

er bijna Amsterdamse termen voor gebruiken. De PvdA

heeft echt een probleem.

De voorzitter: Uw tijd is om.

De heer Van Bommel (SP): Nog één zin?

De voorzitter: Eén zin.

De heer Van Bommel (SP): De kwestie van de onderzeeboot

is niet opgehelderd omdat deze minister van

Defensie niemand kan garanderen wat de Amerikanen

hebben gedaan met de informatie die zij hebben

opgedaan op het moment dat zij, gefaciliteerd door

Nederland, in een Walrusonderzeeër aanwezig waren,

informatie opdeden en die informatie mogelijk gebruikten.

Van Dam

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3257

©

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Voorzitter. Laat ik, net

als de regering meermalen deed, beginnen met de heer

Van der Staaij volledig gelijk te geven: dit debat bevat

inderdaad heel veel herkenbaars, met name in de

antwoorden van de regering. Die antwoorden hebben mij

dan ook niet geheel overtuigd, sterker nog, zij hebben

mij geheel niet overtuigd. Ik wil hier de voorspelling

uitspreken dat dit niet de laatste keer was, want er

blijven te veel vragen onbeantwoord, er blijft te veel

onduidelijkheid bestaan. Minister Van Middelkoop deed

enigszins getergd de oproep aan het parlement om

voortaan gevrijwaard te mogen zijn van speculaties en

valse beschuldigingen. Daar zijn maar twee recepten

voor. Als eerste: wees helder, bijvoorbeeld over de

Walrus. Sluit nu gewoon even uit – die vraag is een keer

of vijftien gesteld – dat de Amerikanen daar aanwezig

inlichtingen verzamelden ter voorbereiding op een

oorlog in Irak. Als tweede: sta een parlementair

onderzoek toe, dan bent u voorgoed van het gezeur af.

Nu ja, gezeur, het doet mij denken aan wat feministen

vaak zeiden als hen werd gezegd dat er weer eens werd

gezeurd over vrouwenemancipatie: niet wij zeuren, de

kwestie zeurt. Maar ik zie dat de heer Van der Staaij

wil interrumperen; ik had al het vermoeden dat hij bij

het onderwerp vrouwenemancipatie naar voren zou

komen.

De heer Van der Staaij (SGP): Dan loopt u achter, want

het gaat over het punt daarvoor. U zei tegen de regering,

een parlementair onderzoek toe te staan. Is dat niet wat

merkwaardig, in het licht van het feit dat telkenmale de

Kamer zelf heeft aangegeven, geen behoefte te hebben

aan een parlementair onderzoek, gelet op de gegeven

inlichtingen?

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Daar heeft u volledig

gelijk in. Er is geen meerderheid in de Kamer, en wat u

betreft duurt dat tot sint-juttemis, want u gaat er ook van

uit dat mensen nooit van mening veranderen. Ik hecht er

wel aan, op te merken dat in de coalitieonderhandelingen

men voorbij de eigen bevoegdheden is gegaan

om onderling afspraken te maken over het stemgedrag

van verschillende fracties die deel uitmaken van de

coalitie.

De heer Van der Staaij (SGP): Goed dat u bevestigt dat

daarvoor geen meerderheid in de Kamer bestaat. Dan is

het natuurlijk normaal dat wij niet met de regering gaan

discussiëren over een parlementair onderzoek. U zegt dat

mensen nooit van mening veranderen. Ik dacht dat op

geen enkele manier wanneer dan ook te hebben gezegd.

Maar u zult het met mij eens zijn dat het niet logisch is

om, als je geen nieuwe feiten of omstandigheden ziet,

ineens een heel ander standpunt in te nemen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Dat kan ik mij

voorstellen. Als je nooit nieuwe feiten en omstandigheden

ziet, of wilt zien, hoef je niet van mening te

veranderen. Het gaat hier natuurlijk om de duiding van

informatie die ons door journalisten is aangereikt. Voor

mijn fractie bevat die wel nieuwe informatie.

Een paar drogredeneringen van het kabinet zitten mij

dwars. Als eerste is dat de bewijslast, die wij niet van

Saddam Hoessein naar ons zouden mogen verschuiven.

Hoezo? Natuurlijk ligt de bewijslast bij Saddam Hoessein,

daar doe ik niets aan af, maar ook hier, bij de regering. In

een democratische rechtstaat heeft een regering altijd de

plicht te bewijzen dat volgens het internationale recht is

gehandeld, en dat de politiek juist is geïnformeerd. Als

tweede: wij zouden niet met de kennis van nu over het

verleden mogen oordelen. Waarom niet? Zoiets heet

leren. Dat is juist wat wij zouden moeten willen. Ik vraag

mij ook af, waarom de premier daar zo getergd over is.

Waarom is hij zo bang dat kennis van nu zal kunnen

worden gebruikt voor zaken uit het verleden? Daar hoeft

hij alleen maar bang voor te zijn als dat kan leiden tot

een negatief oordeel over het verleden. Maar dat hoeft

toch niet het geval te zijn? Overigens: voor de juistheid

van de geschiedschrijving merk ik op dat de premier

voor het eerst heeft erkend dat er destijds een kennislacune

was. Dat is wat de premier zei. Ik moet zeggen

dat ik dat wel even genoteerd wil hebben, want daarmee

geeft de premier aan dat hij het toen niet helemaal zeker

wist.

Dan nog een enkele opmerking over de PvdA.

De voorzitter: Uw tijd is om.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Dan wil ik graag een

motie indienen over Iran. De PvdA-fractie heeft Iran

vandaag geagendeerd. Daarom mag ik daarover een

motie indienen. De PvdA-fractie deed dat eigenlijk als

een vlucht naar voren om niet over Irak te hoeven

spreken en om bevrijd te zijn van de eigen penibele

positie. Dat neemt niet weg dat die kwestie buitengewoon

belangrijk is. Daarom dien ik daarover de volgende

motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in het regeerakkoord is vastgelegd dat

Nederland geen militaire deelname verleent aan missies

zonder adequaat volkenrechtelijk mandaat;

constaterende dat de meest recente VN-Veiligheidsraadresolutie

(nummer 1747) over de naleving van de

IAEA-verplichtingen door Iran militaire sancties uitsluit;

verzoekt de regering, uit te sluiten dat Nederland politiek

of anderszins steun verleent aan een eventuele aanval op

Iran zonder adequaat volkenrechtelijk mandaat,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden

Halsema, Van Bommel, Pechtold, Van Dam en Thieme.

Zij krijgt nr. 222 (23432).

De heer Van der Staaij (SGP): Was dit de laatste motie?

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Ja, ik vind dat je altijd

bescheiden moet zijn met moties.

De heer Van der Staaij (SGP): Ja, maar dit is wel

bijzonder, want ik zat te wachten op de motie die vraagt

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3258

om een parlementair onderzoek naar de achtergronden

van de politieke steun in het geval van Irak. Ik vind dat

teleurstellend, gelet op de consistente lijn dat een motie

toch wordt ingediend, ook al is er geen enkel uitzicht op

succes. Wij hebben nu een hele tijd gedebatteerd over

Irak, maar die motie is achterwege gebleven.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Van de negen keer dat

een motie is ingediend, was een lid van mijn fractie

volgens mij vier of vijf keer de eerste indiener. Ik weet

dat niet precies; misschien heeft de SP-fractie dat net iets

vaker gedaan en vergeet ook de PvdA-fractie niet. Deze

keer wilde ik zo galant zijn om die eer over te laten aan

de fractie van D66, die volgens mij nog nooit als eerste

zo’n motie heeft ingediend.

De heer Pechtold (D66): Jawel, dat heeft mevrouw

Kos¸er Kaya gedaan.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): O, één keer. Ook ik

vraag mij af waarom de D66-fractie dat nu niet heeft

gedaan. Voor mijn fractie geldt in ieder geval: ik kan

tellen. Ons standpunt is bekend. Ik wacht totdat er

beweging komt. Ik sluit het niet helemaal uit. Bovendien

heeft de VVD-fractie aangegeven dat zij bereid is om

haar positie opnieuw te bezien als er nieuwe informatie

is die haar overtuigt. De PvdA-fractie zit op dit moment

helemaal vast, maar misschien zijn er afspraken te

maken met de VVD-fractie.

De heer Van der Staaij (SGP): Ik zie de uitlating van

mevrouw Halsema dat zij kan tellen, echt als het

hoogtepunt van dit debat en als een nieuw feit.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Dat beschouw ik, zeker

uit de mond van de heer Van der Staaij, als een groot

compliment.

De vergadering wordt van 18.50 uur tot 19.05 uur

geschorst.

©

Minister Verhagen: Ik dank de geachte afgevaardigden

voor hun reactie. Ook dank ik de overgrote meerderheid

voor de constatering dat de Kamer niet alleen in 2003

volledig en juist is geïnformeerd, maar dat ook de

informatie in de brief van 2 april jongstleden en die van

vandaag het bewijs zijn dat die conclusie is gerechtvaardigd.

De heer Pechtold wil weten of ik ook heb gevraagd

naar andere scenario’s dan die welke zouden leiden tot

een militaire inval. De meest beproefde scenario’s

hadden de intentie om de inspecteurs terug te laten

keren. Dat was overigens ook de inzet van het overleg in

EU-verband. Er is niet gevraagd naar een scenario, maar

er is geantwoord op de vraag wat er gaande was. Ik doel

op een rapportage uit New York.

De heer Pechtold stelt dat hij ondanks alle duidelijke

antwoorden nog steeds in het duister tast. Als je je ogen

sluit voor argumenten en informatie, zal het donker

blijven om je heen. Dan blijf je in de duisternis ronddwalen.

Verschillende Kamerleden hebben gevraagd naar de

mogelijkheid van het voeren van een discussie over de

toekomst van Irak. Ik beschouw dat als een verzoek en

dat steun ik van harte.

Mevrouw Van Gennip heeft de regering gevraagd om

een proactieve inzet ten aanzien van de UNHCR. Die zeg

ik graag toe. Ik heb al uitgelegd hoe wij menen om te

gaan met de vragen die op ons af komen over de

vluchtelingenproblematiek in Irak. De UNHCR verdient

daarbij alle steun, dus wij zullen voor een proactieve

inzet kiezen.

Diverse Kamerleden hebben gewezen op de noodzaak

om betrokken te worden bij het debat over de vraag wat

een adequaat volkenrechtelijk mandaat is. De heer

Voordewind heeft daarnaar specifiek gevraagd. Ik zeg de

Tweede Kamer toe dat de minister voor Defensie en ik

een notitie zullen voorbereiden naar aanleiding van de

vragen die in de Eerste Kamer zijn gesteld over de

duiding en de uitleg van de omschrijving van een

adequaat volkenrechtelijk mandaat in het regeerakkoord.

Op basis van die notitie kunnen wij een debat voeren

over de kwestie. De heer Van Dam heeft al een voorschot

op die discussie genomen. Hij heeft immers al een

formulering gekozen en drie opties geschetst. Ik hecht

eraan om te onderstrepen dat ik niet vooruit wil lopen op

de discussie waarnaar ik zojuist heb verwezen. Wij zullen

een en ander uitdiepen en uiteraard zullen de opties en

de ideeën van de heer Van Dam in de discussie opnieuw

aan de orde komen.

De heer Pechtold (D66): Valt dat onder de 100-dagenregeling?

Het staat immers in het regeerakkoord en de

minister zegt dat een en ander verder moet worden

uitgewerkt. In de Handelingen staat niets over de

lichaamstaal van de sprekers. Daaruit wordt dus niet

duidelijk dat toen mevrouw Halsema haar motie voorlas,

en bleek dat die ondertekend is door de heer Van Dam,

er nee-geschud in vak K te zien was richting de heer Van

Dam. Ik snap die terughoudendheid niet. De minister

moet er toch blij mee zijn dat de oppositie een motie

indient met de tekst van het regeerakkoord als uitgangspunt?

Nu al staat op websites te lezen dat minister

Verhagen mist schept over Iran. Wij hebben vandaag dus

geen uitslag over Irak, maar mist over Iran als resultaat.

Voordat de minister een en ander uitwerkt, lijkt het mij

handig om de Kamer eerst duidelijk te maken hoe het zit

met de uitwerking van het volkenrechtelijk mandaat en

met Iran in het algemeen.

Minister Verhagen: Er is gisteren een debat in de Eerste

Kamer gevoerd waarbij die Kamer heeft gezegd behoefte

te hebben aan een reactie van het kabinet op nader te

stellen vragen over een adequaat volkenrechtelijk

mandaat. Dat heeft niets met de 100-dagentermijn te

maken. Het zou vreemd zijn om, als een deel van de

Staten-Generaal vraagt om een nadere gedachtewisseling,

een ander deel van de Staten-Generaal reeds

alle antwoorden te geven. Ik heb goede nota genomen

van de driedeling van de heer Van Dam. Ik zie die niet bij

voorbaat als uitkomst van het debat met de Kamer. De

driedeling zal uiteraard een rol spelen in de te voeren

discussie. Over de motie kom ik te spreken aan het einde

van mijn betoog.

In reactie op de opmerkingen van de heer Van

Bommel het volgende. Ik herhaal dat een meerderheid

van de Kamer gezegd heeft voldoende, adequaat en

goed te zijn geïnformeerd. Wellicht is dat verspilde

moeite. Ik wil daarnaast weerleggen dat wij geen

Halsema

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3259

informatie verstrekt hebben over het verzoek van de

Verenigde Staten over militaire ondersteuning. Op

21 november 2002 is aan de Kamer het verzoek aan

Nederland gemeld om bij te dragen aan de planning

voor een mogelijk militair optreden in het geval Irak niet

of onvoldoende meewerkt aan de uitvoering van

resolutie 1441. Op 6 december is gemeld aan de Kamer

dat de regering een positieve grondhouding had bij het

verlenen van overvliegvergunningen, het faciliteren van

doorvoer over het Nederlandse grondgebied en de

planning inzake ondersteuning van defensieve taken. Bij

dat laatste ging het met name om de Patriots. Op

4 februari heeft de kamer informatie gekregen over de

militaire transporten over Nederlands grondgebied. Op

7 februari is het stationeren van de Patriotverdedigingssystemen

in Turkije aan de Kamer gemeld. De vraag is

hoe de regering heeft gereageerd op het Amerikaanse

verzoek. Mijn antwoord is dat die reactie is zoals wij de

Kamer hebben meegedeeld. Wij hebben niet gereageerd

op dingen die er niet waren.

De heer Van Bommel (SP): De minister doet ontzettend

zijn best om mij te behagen. Dat stel ik enorm op prijs.

Zo hoort het gaan in het verkeer tussen regering en

Kamer. Ik lees alle brieven van de regering, zeker die

over dit soort belangrijke onderwerpen. Ik lees die vaak

meer dan één keer. De minister kan de Kamer gemakkelijk

de aanvullende informatie geven. Hij kan het

schriftelijke antwoord vrijgeven op het schriftelijke

verzoek van de Amerikanen. Dat is niet secret of top

secret. Ik neem toch aan dat hij niet gebeld heeft naar

aanleiding van zo’n belangwekkend verzoek. Hij heeft

daar ongetwijfeld schriftelijk op gereageerd. Laat hem

dat antwoord in afschrift naar de Kamer sturen, want dan

wordt het hele verhaal bekend.

Minister Verhagen: De reactie van de vorige regering op

dit verzoek is hetgeen wat op 6 december en in februari

aan de Kamer is gemeld. Dat was de reactie van het

kabinet. Met de Kamerstukken staat dat op papier. Dat

was de reactie van het kabinet, niet meer of minder.

Volgens mij is dit een herhaling van zetten. De heer Van

Bommel is niet bereid, en dat is uiteraard zijn goed recht,

om daarmee genoegen te nemen. Dan houdt het voor

mij ook op.

De heer Van Bommel (SP): Het hoeft voor de minister

helemaal niet op te houden. Hij staat in beginsel positief

tegenover een deel van het verzoek; daar neemt hij nog

een besluit over. Op het tweede deel van het verzoek,

waarbij wij van mening verschillen over de politieke en

zelfs de taalkundige betekenis van wat de Amerikanen

tegen de minister zeggen – zij willen met hem een

discussie voeren over een aanvullende bijdrage terwijl de

minister zegt dat zij contact willen onderhouden – moet

hij toch antwoord hebben gegeven. De minister heeft

daar in het kabinet over gesproken en hij zal daar toch

iets over gezegd hebben, ook in de richting van de

Amerikanen. Dat antwoord is het ultieme antwoord op

de vragen die ik stel. Dat antwoord, aan de Amerikanen,

wil hij niet geven aan de Kamer. Waarom verbergt hij

dat?

Minister Verhagen: In de brief van 6 december staat ook

hoe wij daarmee zijn omgegaan. Ik kan dat wel weer

herhalen.

De voorzitter: Dat hoeft niet. De minister vervolgt zijn

betoog.

Minister Verhagen: Voorzitter. Ik kom te spreken over de

situatie met betrekking tot Iran. Ter correctie: er staat niet

dat de minister mist heeft laten ontstaan over Iran. Er

staat dat een deel van de Kamer die mening is toegedaan.

Dat is een groot verschil, temeer daar ik uit de

reactie van de leden in tweede termijn niet de indruk

kreeg dat er veel mist was ontstaan. Omdat de Kamer

echter enige problemen had met mijn antwoord, is door

de leden Halsema, Van Bommel, Pechtold, Van Dam en

Thieme een motie ingediend. Ik zeg daar het volgende

over. Resolutie 1747 over de naleving van de IAEAverplichtingen

door Iran sluit militaire sancties uit. Ik kan

niet uitsluiten dat in Iran zaken gaan gebeuren of dat Iran

zaken zal doen die buiten het kader van resolutie 1747

liggen. Ik kan niet bij voorbaat steun weigeren op punten

die buiten de inhoud en het onderwerp van die resolutie

vallen.

In de definitie die met name de geachte afgevaardigde

Van Dam heeft gegeven van een adequaat volkenrechtelijk

mandaat wordt vooruitgelopen op hetgeen met de

Kamer nader bediscussieerd gaat worden. In reactie op

de bijdrage van de heer Van Dam heb ik gezegd dat het

kabinet een notitie stuurt waarover vervolgens een debat

kan worden gevoerd. Op basis daarvan bepaalt het

kabinet hoe het invulling geeft aan de afspraken. Daar

wordt op vooruit gelopen met de definitie die de heer

Van Dam heeft gegeven en die een beperkte uitleg

inhoudt.

Ik ontraad dan ook het aannemen van de motie en stel

voor om het debat dat wij hierover gaan voeren, af te

wachten. Ik noem daarvoor dus twee redenen. De eerste

betreft de invulling van het begrip ’’adequaat

volkenrechtelijk mandaat’’. De tweede is dat ik op dit

moment niet kan uitsluiten dat Iran zaken gaat doen die

buiten het kader van resolutie 1747 vallen. Door de

formulering van de motie zouden de handen bij voorbaat

gebonden zijn.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Het zal de minister

toch opgevallen zijn dat in de motie geen definitie wordt

gegeven van een adequaat volkenrechtelijk mandaat? Hij

heeft alle ruimte om dit de komende maand in overleg

met de Kamer te definiëren. De motie zegt alleen dat er

een adequaat volkenrechtelijk mandaat moet zijn, welke

invulling de regering daaraan ook geeft, in overeenstemming

met het regeerakkoord. Wij brengen het handelen

van de regering dus in overeenstemming met het

regeerakkoord.

Minister Verhagen: In het regeerakkoord wordt

gesproken over de inzet van Nederlandse militairen. Deze

motie gaat sowieso verder dan het regeerakkoord,

aangezien zij de term ’’politieke steun’’ bevat. In het

regeerakkoord wordt gesproken over de inzet van

Nederlandse militairen. Dat gaat dus al verder dan het

regeerakkoord. Bovendien heeft een van de ondertekenaars,

de heer Van Dam, een heel eigen duiding gegeven

aan datgene wat de PvdA-fractie verstaat onder een

adequaat volkenrechtelijk mandaat. Met andere woorden,

als wij de motie op dit punt serieus nemen, moet dat

binnen die duiding gebeuren. Ik vind dat de motie

vooruitloopt op een debat. Een andere reden is dat ik

niet bij voorbaat kan uitsluiten dat Iran bepaalde zaken

Verhagen

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3260

doet die buiten het kader van de IAEA-verplichtingen

vallen. Er zijn allerlei situaties denkbaar waarin wij het

wel rechtvaardig zouden kunnen vinden, net zo goed als

wij het destijds rechtvaardig vonden dat er in Kosovo

werd ingegrepen. Net zo goed kan het zijn dat er in

Sudan zaken gebeuren en er een resolutie wordt

geblokkeerd door China. De internationale gemeenschap

kan dan wel degelijk zeggen: wij vinden het rechtvaardig

dat er politieke dan wel militaire steun wordt gegeven.

Dat is het punt. Er zijn dus twee elementen, het kader en

de definitie inzake het adequate volkenrechtelijke

mandaat, die in mijn ogen vooruitlopen op de discussie

die wij nog moeten voeren.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Even voor de

duidelijkheid: de minister is lang genoeg Kamerlid

geweest om te weten dat de uitleg van de eerste

ondertekenaar van een motie geldt. Dat is de mijne. Ik

heb geen definitie gegeven van het volkenrechtelijk

mandaat. Ik stipuleer hier juist, en dat doe ik nadrukkelijk,

dat de regering alle ruimte heeft om alsnog met een

definitie te komen. Dat staat haar dus vrij. De motie staat

dat niet in de weg. Over het andere argument van de

minister het volgende. Ik kan me niet aan de indruk

onttrekken dat dit zich moeizaam verhoudt tot de

afspraken die in het regeerakkoord zijn vastgelegd. Daar

is namelijk vastgesteld dat militair ingrijpen altijd een

adequaat volkenrechtelijk mandaat moet hebben.

Minister Verhagen: In het regeerakkoord staat, met alle

respect, dat een adequaat volkenrechtelijk mandaat

noodzakelijk is bij de inzet van Nederlandse militairen. Ik

herinner mij die tekst vrij goed.

De heer Van Bommel (SP): Dat laatste kan ik mij heel

goed voorstellen. Daar zit dus de ruimte om politieke

steun te geven aan een militaire operatie zonder

volkenrechtelijk mandaat.

Minister Verhagen: Ik stel dat je op basis van het

regeerakkoord niet de conclusie kunt trekken die hier

staat. Je kunt daarover discussiëren. In alles geldt dat de

regering voor de keuzes die zij maakt niet alleen de steun

moet hebben van de meerderheid van de Kamer, maar

ook van de leden van het kabinet.

De heer Van Bommel (SP): Mijn vraag is gerelateerd

aan de motie, omdat de minister van Buitenlandse Zaken

zegt dat zij verdergaat dan de afspraken in het regeerakkoord,

omdat ook politieke steun wordt uitgesloten.

Daarom vraag ik hem om de bepaling in het regeerakkoord

nader te duiden. Betekent de afspraak in het

regeerakkoord dat er ruimte is voor politieke steun aan

een militaire operatie zonder volkenrechtelijk mandaat?

Minister Verhagen: De heer Van Bommel draait het altijd

om. In het regeerakkoord staat dat in ieder geval voor de

inzet van Nederlandse militairen een adequaat volkenrechtelijke

mandaat vereist is. Het is heel goed mogelijk

dat wij anderszins andere keuzes maken, maar dat heeft

op zich niets met het regeerakkoord te maken. De eerste

indiener van de motie stelde dat daarin niets meer of

minder staat dan in het regeerakkoord. Dat heb ik

ontkend, aangezien in het regeerakkoord alleen wordt

gesproken over de inzet van Nederlandse militairen. Het

is zeer wel mogelijk dat het geven van politieke steun

een conclusie van het normale debat wordt; dat kan ik

niet bij voorbaat uitsluiten.

De heer Van Dam (PvdA): Voor situaties die niet in het

regeerakkoord staan vermeld, kunnen Kamer en kabinet

in onderling overleg bezien wat er moet gebeuren. In de

motie van mevrouw Halsema staat dat een eventuele

aanval op Iran – wij hopen allen dat het nooit zover zal

komen – binnen het volkenrecht gemandateerd moet zijn.

Ik neem toch aan dat wij het daarover eens zijn. De

minister zegt terecht dat kabinet en Kamer nog een

uitgebreide discussie tegemoet gaan over hoe ’’een

adequaat volkenrechtelijk mandaat’’ exact moet worden

gedefinieerd. Ik zie dat debat met de regering met

vertrouwen tegemoet en ga ervan uit dat wij gezamenlijk

tot een goed standpunt zullen komen.

Minister Verhagen: Daar ga ik absoluut van uit. Ik ben

de heer Van Dam erkentelijk voor de aanzet tot de

discussie die hij heeft gegeven. Ik ben ervan overtuigd

dat wij in dat debat gezamenlijk tot goede conclusies

kunnen komen. Indien iemand uit mijn woorden heeft

geproefd dat ik daarvan niet overtuigd zou zijn, dan

neem ik dat bij dezen terug.

De heer Van Dam (PvdA): In deze motie wordt dus niets

meer of minder gezegd dat het verlenen van politieke

steun aan een aanval op Iran moet voldoen aan de

definitie die wij in dat debat tussen Kamer en kabinet

overeen zullen gekomen.

Minister Verhagen: Er zitten twee elementen in de motie

die ons ertoe hebben gebracht om de aanvaarding ervan

te ontraden. Stel dat er iets gebeurt wat volstrekt buiten

de IAEA-verplichtingen valt en wat er normaliter toe zou

leiden dat de Veiligheidsraad een resolutie aanneemt die

een reactie ten aanzien van Iran rechtvaardigt. Zo’n

resolutie kan echter worden geblokkeerd door een veto

van een van de leden van de Veiligheidsraad. Resolutie

1747 sluit militair optreden uit. In dat licht heb ik gezegd

dat niet bij voorbaat alles kan worden uitgesloten. Ik kan

niet uitsluiten dat Iran dingen doet die nopen tot een

reactie van de internationale gemeenschap die verder

gaat dan resolutie 1747.

Daarmee ben ik aan het einde gekomen van de

beantwoording van de vragen die aan mij gesteld zijn in

tweede termijn. Namens de regering heb ik een oordeel

uitgesproken over de motie.

De heer Van Bommel (SP): De minister van Buitenlandse

Zaken verwees naar de brief van 6 december en

zei dat daarin het antwoord staat dat aan de Amerikanen

is gegeven op het tweede deel van het verzoek, dat door

de regering een illustratie wordt genoemd. Dit is niet

juist, dat staat niet in de brief van 6 december! Na het

antwoord van de minister heb ik die brief nog een keer

helemaal gelezen, en het staat er niet in!

Minister Verhagen: Er zijn geen brieven naar de

Amerikanen gestuurd, dus die kan ik ook niet overleggen;

ze zijn er niet. In de brief van 6 december staat dat

de regering een positieve grondhouding heeft ten

aanzien van die drie elementen en dat er voor het

overige een aantal andere elementen zijn waarover nog

nader contact zal plaatsvinden. Dat staat in de brief van

6 december. Er zijn geen brieven naar de Amerikanen

Verhagen

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3261

gestuurd. Ik kan geen schriftelijk bewijs overleggen,

omdat het gewoon niet bestaat.

De voorzitter: De heer Van Bommel mag niet nogmaals

reageren.

De heer Van Bommel (SP): Maar voorzitter, dit kan toch

niet?

Minister Verhagen: Dan lees ik de brief van 6 december

gewoon voor. In het hierboven geschetste kader heeft de

regering heden besloten in beginsel positief te reageren

op het Amerikaanse verzoek. Deze beginselbereidheid

betreft vooralsnog alleen het verlenen van overvliegvergunningen

en het faciliteren van doorvoer over

Nederlands grondgebied, enzovoort. Dat staat er en

helderder kan ik niet zijn. Die beoordeling wordt ook

voorgelegd aan de Tweede Kamer. Dat staat er gewoon

in.

De heer Van Bommel (SP): Er staat dus niet in wat de

reactie naar de Amerikanen was op het tweede deel van

het verzoek om over een aanvullende bijdrage, zoals

gevechtshelikopters en F-16’s, in contact te blijven. U

noemt het althans zo, maar vertaald naar het Nederlands

betekent het dat daarover het gesprek zal worden

gevoerd. Uw antwoord daarop staat niet in deze brief.

Minister Verhagen: Dat is niet meer aan de orde

geweest. Het verzoek is uiteindelijk beperkt geweest tot

wat er uiteindelijk in de Kamer gemeld is en wat ook

door de Kamer is goedgekeurd. Die discussie waarover u

en Reporter het steeds hebben, waarin gesteld werd dat

de Amerikanen in contact wilden blijven over het

waslijstje waarop u allerlei verschrikkelijk wapentuig

veronderstelt, is helemaal niet meer aan de orde

gekomen. Het verzoek is daar nooit op gericht geweest

en daarover heeft verder ook geen discussie met de

Amerikanen plaatsgevonden.

©

Minister Van Middelkoop: Voorzitter. Ik kan u geruststellen,

want mijn beantwoording kan kort zijn. De heer

Pechtold attendeerde mij erop dat Afghanistan niet aan

zee ligt. Dat was mij bekend. Dit is geen relevante

observatie van de heer Pechtold omdat – en dat zal hij

toch weten – de operatie Enduring Freedom niet

uitsluitend het grondgebied van Afghanistan betrof, maar

ook een maritieme component had. Vandaar de

fregatten, de onderzeeboten, enzovoort. De operatie

Enduring Freedom had als spits de bestrijding van het

terrorisme en betrof dus niet enkel en alleen het

grondgebied van Afghanistan.

De heer Pechtold, mevrouw Halsema en de heer Van

Bommel hebben weer gevraagd naar de onderzeeboot.

Laat ik in deze termijn het geheel van de eerste termijn

nog eens op een pakkende manier proberen samen te

vatten. Ook dat is noodzakelijkerwijs voornamelijk een

herhaling van hetgeen ik in eerste termijn heb gezegd.

Die onderzeeboot, evenals andere vaartuigen zoals

fregatten, is ingezet in het kader van de operatie

Enduring Freedom. Dat is de taak die is toebedeeld aan

die onderzeeboot en dat is ook de praktijk geworden. Die

missie kende inhoudelijk geen relatie met enige andere

Amerikaanse operatie. Dat gold ook voor de Amerikaanse

militairen die zich aan boord van die onderzeeboot

bevonden. Zij bevonden zich daar in het kader van

de operatie Enduring Freedom. Ik voeg er nog aan toe

dat de onderzeeboot zich niet in de nabijheid van Irak

bevond. Daardoor was die boot, aldus de professionele

inschattingen van deskundigen op dit gebied, feitelijk

evenmin in staat inlichtingen over Irak in te winnen. Er is

geen relatie tot de operatie Iraqi Freedom en dat is een

expliciet antwoord op een vraag van de heer Pechtold.

Kortom: op grond van de taak, de aard en de locatie van

de missie van de onderzeeboot stel ik vast dat deze geen

bijdrage heeft geleverd aan de inval in Irak.

De heer Van der Staaij en mevrouw Van Gennip zijn

nog even teruggekomen op de wijze waarop is omgegaan

met de informatievoorziening van de Kamer over

het verzoek, zoals destijds is gedaan met de zogenaamde

illustratieve lijst waarover eventueel gediscussieerd zou

kunnen worden. Ik stel voor, als volgt te opereren en

daarbij kijk ik enigszins wervend naar de heer Van der

Staaij en mevrouw Van Gennip. Zoals bekend ligt er nog

altijd het rapport van de parlementaire werkgroep van de

heer Van Baalen over deze materie, namelijk artikel 100

van de Grondwet en wat daar allemaal mee samenhangt.

Daarop is door de regering gereageerd door middel van

het inwinnen van een advies van de AIV. Die is daarmee

bezig op dit moment. Het lijkt mij verstandig om de

reactie die het kabinet zal geven op het rapport van de

commissie-Van Baalen inclusief het advies van de AIV

voor zover nodig te doen vergezellen van een opinie

over de zaak die de heer Van der Staaij heeft aangekaart.

Ik zeg overigens tegen hem en ook tegen mijzelf dat het

waarschijnlijk verstandig is om nog eens na te gaan wat

hierover destijds is gezegd in de debatten over het

rapport van de commissie-Bakker. Ik weet namelijk bijna

zeker dat deze zaak daar op de een of andere manier

geadresseerd is. Het kan geen kwaad om na zoveel jaren

dit punt nogmaals op te pakken.

©

Minister Balkenende: Mevrouw de voorzitter, Ik zeg de

leden van de Kamer dank voor hun inbreng in tweede

termijn. Er is al veel gezegd. Er resteren nog twee

punten.

Dat betreft allereerst de vraag van de heer Pechtold of

de minister-president indertijd niet te snel en te hard

heeft geoordeeld. Ik begrijp de vraag. Ik heb geprobeerd

aan te geven dat wij die vraag hebben moeten beantwoorden

met de kennis van dát moment. Ik heb tegen de

heer Van Dam gezegd dat wanneer wij met de kennis

van nú terugkijken, de zaak ook anders had kunnen

lopen. Ik heb in eerste termijn ook gezegd dat wij de

ontwikkelingen van toen moeten beoordelen met de

kennis die wij toen hadden. Daarom sprak ik ook over

lacunes in kennis. Natuurlijk wisten wij niet alles. Dat

probleem kwam heel duidelijk naar voren in de 128

onbeantwoorde vragen van Hans Blix. Een ding was

echter wel zeker: Saddam werkte onvoldoende mee om

de resoluties van de Veiligheidsraad uit te voeren.

Vervolgens de vraag van mevrouw Halsema of de

bewijslast ook niet bij de regering lag. Dat klopt voor een

aantal onderdelen. Dat klopt voor het internationale recht

en de verschillen van mening daarover. Wij kennen de

positie van de regering destijds en op dit moment; de

resoluties 678, 687, 1284, 441; wij hebben het allemaal

besproken. De bewijslast ten aanzien van de verantwoor-

Verhagen

Tweede Kamer Kabinetsstandpunt Irak

4 april 2007

TK 57 57-3262

ding van de beslissing zat in onze brief van 18 maart

2003 en is ook vandaag aan de orde geweest. Ook over

de vraag hoe het niet meewerken door Saddam Hoessein

beoordeeld moest worden, hebben wij verantwoording

afgelegd. Maar ik hecht eraan op te merken dat de

bewijslast voor de massavernietigingswapens lag bij

Saddam Hoessein. Dat is neergelegd in de brief van

4 september 2002 en vloeit ook voort uit de eerdergenoemde

resoluties.

Voorzitter. Ik realiseer mij zeer wel dat dit onderwerp

een moeilijk onderwerp is geweest en blijft. Het is een

onderwerp met moeilijke afwegingen, met veel emoties

en met grote verdeeldheid. Tegelijkertijd hecht ik eraan

op te merken dat ik sta voor de keuzes die zijn gemaakt,

hoe moeilijk die destijds ook waren. Het is goed,

daarover verantwoording af te leggen. Dat is vandaag

gebeurd.

Ik hecht eraan, mevrouw de voorzitter, nogmaals mijn

dank uit te spreken aan de leden van de Kamer voor hun

inbreng in dit debat.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Ik wil de premier een

vraag stellen over mijn motie aangezien die ook het

regeerakkoord regardeert en de premier daarvoor als

eerste onderhandelaar verantwoordelijk is.

De minister van Buitenlandse Zaken zegt steeds dat hij

niet kan uitsluiten dat hij buiten resolutie 1747 om wil

kunnen optreden. Ik kan mij daarbij nog wel iets

voorstellen. Nergens in de motie wordt echter gesteld

dat er een nieuwe resolutie is vereist. Vindt de premier

ook dat de regering moet kunnen handelen buiten een

adequaat volkenrechtelijk mandaat dat veel meer

impliceert dan een nieuwe resolutie van de Veiligheidsraad?

Minister Balkenende: Ik geloof niet dat dit de goede

weg is. De minister van Buitenlandse Zaken heeft

aangegeven hoe deze motie vanuit het kabinet wordt

beoordeeld. Bovendien is na de waardevolle bijdrage van

de heer Van Dam gezegd dat wij op dit onderwerp zullen

terugkomen nadat de vragen van de Eerste Kamer zijn

beantwoord. Wij zullen de stukken presenteren aan de

Eerste Kamer en daarbij ook de bevindingen van

vandaag meenemen.

Ik zou het daarbij willen laten, mevrouw de voorzitter.

De voorzitter: Ik dank de bewindslieden voor de

antwoorden. Ik herhaal de gedane toezeggingen. Ik noem

alleen die toezeggingen waarover de Kamer op een later

moment schriftelijk wordt geïnformeerd.

- Er komt een notitie van de ministers van Buitenlandse

Zaken en van Defensie aan de Tweede Kamer naar

aanleiding van het debat in de Eerste Kamer over de

passage in het regeerakkoord over een volkenrechtelijk

mandaat voor de inzet van Nederlandse militairen.

- De minister van Buitenlandse Zaken zal de Kamer

informeren over de Nederlandse inzet bij de conferentie

van de UNHCR over hulp aan Iraakse vluchtelingen.

- In de kabinetsreactie op het rapport van de werkgroep-

Van Baalen wordt het voorstel van de leden Van der

Staaij en Van Gennip meegenomen om de Kamer te

informeren over afgewezen verzoeken om militaire inzet.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter: Ik stel voor, volgende week dinsdag te

stemmen over de ingediende motie.

Daartoe wordt besloten.

De vergadering wordt enkele minuten geschorst.